Vreemdelingenrecht
Bewaring ex artikel artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw.
Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17214 · Rechtbank Den Haag · 25 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-17214
Zaakgegevens
Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 25 juni 2026
- Datum publicatie
- 25 juni 2026
- Zaaknummer
- NL26.31906
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17214
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring ex artikel artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31906
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser.
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: L. Ploeger).
Inleiding
1. De minister heeft op 28 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw opgelegd.
Eiser heeft op 8 juni 2026 tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen en heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M. Blaauw, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
3. Eiser stelt dat in het dossier stukken ontbreken die zien op de strafrechtelijke aanhouding van eiser, waardoor onvoldoende inzichtelijk is wat zich heeft voorgedaan en of mogelijk sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende duidelijk blijkt dat sprake was van een strafrechtelijke aanhouding. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 28 mei 2026 volgt dat aan eiser is medegedeeld dat hij wordt verdacht van diefstal. Verder is in het ‘formulier externe bijzonderheden zaak’ vermeld dat eiser op 28 mei 2026 is aangehouden wegens winkeldiefstal en dat hem hiervoor een reprimande is opgelegd. Eiser is vervolgens, zoals volgt uit de M105-A, overgenomen en aansluitend op strafrechtelijke heenzending opgehouden.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 8 juni 2026 hebben de Nederlandse autoriteiten, na afwijzing van een terugnameverzoek door Spanje, een terugnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Luxemburg. Dit verzoek is op 11 juni 2026 door Luxemburg aanvaard.
Gronden
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De
rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden, in samenhang gezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Er bestaat dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het significante risico op onttrekking is gegeven. Verder is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Nadat de autoriteiten van Luxemburg akkoord hadden gegeven op het terugnameverzoek van Nederland, heeft op
18 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en heeft de minister diezelfde dag een overdrachtsbesluit genomen en uitgevaardigd. De minister heeft hiermee, anders dan eiser stelt, niet zodanig langzaam gehandeld dat dit tot opheffing van de bewaring zou moeten leiden.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.