Vreemdelingenrecht

Eerste beroep bewaring - schriftelijke afhandeling - 59, eerste lid, aanhef en onder a - beroep ongegrond

Rechtbank Den Haag, 15 mei 2026

Zaakgegevens

Op 15 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
15 mei 2026
Datum publicatie
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.24359
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17576
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eerste beroep bewaring - schriftelijke afhandeling - 59, eerste lid, aanhef en onder a - beroep ongegrond

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24359

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.M. Polman),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister. (gemachtigde: S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming verleend om de zaak schriftelijk te behandelen. Eiser heeft op 6 mei 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft op 8 mei 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 11 mei 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Litouwse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986.

Bewaringsgronden

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser betwist de zware gronden onder 3b en 3c. Hij heeft zich gemeld bij de politie voor het doen van aangifte van verlies van zijn paspoort, maar hiervan is geen aangifte opgenomen. Eiser heeft zich daarom in een later stadium niet opnieuw gemeld bij de politie omdat hij eerder ook niet werd geholpen. Omdat hij zijn paspoort was verloren, was hij niet in staat om een vliegticket te boeken of te reizen.

4. De rechtbank is van oordeel dat een melding bij de politie voor het doen van aangifte van een verloren paspoort niet is gelijk te stellen met een melding bij de korpschef zoals bedoeld in artikel 4.39 van het Vb. Daarbij heeft eiser na het gestelde verlies van zijn paspoort geen aantoonbare inspanningen verricht voor het verkrijgen van een nieuw reisdocument. De rechtbank oordeelt derhalve dat de zware gronden onder 3b en 3c en de overige niet betwiste gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

5. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, gezien de feiten in dit dossier. Eiser heeft dit echter niet nader geconcretiseerd.

6. De rechtbank oordeelt dat de minister in de maatregel voldoende heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat en tijdens het gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft eiser desgevraagd meegedeeld geen redenen te weten om hem niet in vreemdelingenbewaring te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 mei 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.