Vreemdelingenrecht
Eerste beroep bewaring - 59a - machtiging tot binnentreden - lichter middel - aanwezigheidsrecht zitting…
Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17598 · Rechtbank Den Haag · 19 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-17598
Zaakgegevens
Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Datum publicatie
- 29 juni 2026
- Zaaknummer
- NL26.31075
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17598
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Eerste beroep bewaring - 59a - machtiging tot binnentreden - lichter middel - aanwezigheidsrecht zitting - beroep ongegrond
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.31075
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 5 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft en op [geboortedatum] 1989 is geboren.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Machtiging tot binnentreden
3. Eiser stelt dat de machtiging tot binnentreden van 2 juni 2026 niet rechtsgeldig is. Hiertoe voert eiser aan dat de digitale handtekening die onder de machtiging staat niet kan worden gevalideerd.
4. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting een ondertekende machtiging tot binnentreden geüpload. De rechtbank stelt vast dat bij dit document de digitale handtekening gevalideerd kan worden en hieruit blijkt dat deze handtekening geldig is en dat de identiteit van de ondertekenaar eveneens geldig is. Van de zijde van eiser is weliswaar aangevoerd dat het onwenselijk is dat dit document pas ter zitting is geüpload, maar dit doet niet af aan de rechtmatigheid van de machtiging tot binnentreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet heeft bestreden. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a, 3e en 3k en alle lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking en kunnen daarom de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn psychische omstandigheden geen aanleiding geven om af te zien van bewaring of een minder ingrijpende maatregel toe te passen.
8. De aangevoerde medische omstandigheden maken niet dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is. In de maatregel van bewaring wordt er terecht op gewezen dat de beschikbare medische zorgverlening binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de medische omstandigheden van eiser zijn meegenomen in de besluitvorming. De beroepsgrond slaagt niet.
Aanwezigheidsrecht
9. Eiser voert aan dat zijn fundamentele recht om in persoon door de rechter te worden gehoord in het kader van de toetsing van zijn vrijheidsontneming is geschonden. Volgens eiser is niet gebleken dat de minister een belangenafweging heeft gemaakt tussen enerzijds het belang van een onmiddellijke overdracht en anderzijds het belang van eiser om gebruik te kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.
10. Hoewel het recht om op zitting te worden gehoord een fundamenteel onderdeel is van de mogelijkheid om de inbewaringstelling te bestrijden, is dit recht niet absoluut en weegt dit niet zwaarder dan het fundamentele recht op vrijheid.1 De minister heeft in dit geval prioriteit mogen geven aan het belang om de inbewaringstelling zo kort mogelijk te laten duren.2
Ambtshalve toets
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2 Vgl. de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 mei 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:4343.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.