Vreemdelingenrecht

bewaring, weigering strafrechtelijk overleveringsverzoek, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 2 juni 2026

Zaakgegevens

Op 2 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
2 juni 2026
Datum publicatie
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27176
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17705
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring, weigering strafrechtelijk overleveringsverzoek, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27176


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 13 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Weigering strafrechtelijk overleveringsverzoek

2. Eiser voert aan dat hij openstaande gevangenisstraffen in Polen moet uitzitten en dat er om deze reden een strafrechtelijke overleveringsprocedure heeft plaatsgevonden. Volgens eiser heeft de rechtbank Amsterdam in de overleveringszaak besloten dat de overlevering niet zal plaatsvinden vanwege kwesties over mensenrechten bij detentie in Polen. Aangezien er een vonnis was waaruit bleek dat uitzetting in het kader van een strafrechtelijke overleveringsprocedure niet was toegestaan, vraagt eiser zich af of de inbewaringstelling van hem op 9 mei 2026 van eiser rechtmatig is geweest. Eiser betoogt dat uitzetting via het vreemdelingrechtelijke traject ook als gevolg zal hebben dat eiser in Polen in strafrechtelijke detentie terecht zal komen en dat inbewaringstelling daarom niet had mogen plaatsvinden.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Het standpunt van eiser zoals weergegeven onder 2. is eerst ter zitting kenbaar geworden. Verweerder heeft daarop ter zitting aangegeven hij op 9 mei 2026 nog geen kennis had van de overleveringsprocedure. Verweerder ontving op 13 mei 2026 bericht dat de overlevering niet zou plaatsvinden. Verweerder heeft diezelfde dag de bewaring opgeheven. Volgens de rechtbank had verweerder tot het bericht van 13 mei 2026 niet kunnen weten dat er een vonnis was gewezen in een overleveringsprocedure van eiser. De rechtbank acht verweerders handelswijze dan ook correct door de bewaring op te heffen bij de afweging van de concrete belangen van eiser in deze. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen om deze beroepsgrond met stukken te onderbouwen, door bijvoorbeeld het vonnis in de overleveringszaak over te leggen. Nu eiser dit heeft nagelaten, is er voor de rechtbank ook geen aanleiding om nader in te gaan op eisers standpunt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

4. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.