Vreemdelingenrecht

Mondelinge uitspraak, beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’, verzoek om…

Rechtbank Den Haag, 22 mei 2026

Zaakgegevens

Op 22 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 mei 2026
Datum publicatie
2 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/15964
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:17956
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge uitspraak, beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’, verzoek om vergoeding van de proceskosten toegewezen. Verzoeker heeft het beroep tijdens de zitting ingetrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/15964


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
22 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel ‘humanitair niet-tijdelijk’.

1.1.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 juli 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Op 21 mei 2026 heeft verweerder op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de schoonmoeder van verzoeker, de kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker mr. P. Frimpong, M. Sivridag en N. Epstein als tolken en de gemachtigde van verweerder.

1.4.

Tijdens de zitting heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.

1.5.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank uitspraak gedaan op dit verzoek.

Beslissing

2. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe.

Overwegingen

3. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken en dat verzoeker een vergoeding van de proceskosten wenst van vier punten. Verweerder heeft aangegeven niet bereid te zijn om de proceskosten te vergoeden, omdat niet valt uit te sluiten dat er ook een procedure zou zijn gevolgd als het in het verweerschrift ingenomen standpunt eerder bekend was gemaakt.

3.1.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de proceskosten worden toegekend voor een bedrag van € 3.736,-. Verweerder moet aan verzoeker ook het griffierecht vergoeden.

3.2.

Daarbij vindt de rechtbank van belang dat verweerder in de onderhavige procedure nooit heeft gecommuniceerd dat verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Ook heeft verweerder eiser twee keer gehoord en is dit tijdens de gehoren niet voorgelegd. Dit klemt te meer nu verzoeker zich in deze procedure expliciet heeft beroepen op de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en verweerder pas daags voor de zitting met zijn in het verweerschrift neergelegde standpunt is gekomen.

Conclusie en gevolgen

4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.736,-.

5. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € € 3.736,-;

- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij het gehoor in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 934,- met een wegingsfactor 1.