Vreemdelingenrecht
Verzet tegen uitspraak op een beroep niet tijdig beslissen (NTB), verzet gegrond. De rechtbank heeft niet…
Rechtbank Den Haag, 3 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:17968 · Rechtbank Den Haag · 3 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-17968
Zaakgegevens
Op 3 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 juni 2026
- Datum publicatie
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.34402 V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:17968
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet tegen uitspraak op een beroep niet tijdig beslissen (NTB), verzet gegrond. De rechtbank heeft niet onderkend dat er al een besluit was genomen op de aanvraag.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34402 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant]
, opposant, V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: P.A.E. Engelen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 maart 2026 in het geding tussen
opposant
en
de Minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Opposant heeft op 28 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 7 januari 2024.
Bij uitspraak van 18 maart 2026 (de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank het beroep van opposant gegrond verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 7 januari 2024.
De uitspraak van 18 maart 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van opposant gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de beslistermijn is overschreden en nog geen besluit bekend is gemaakt.
Het verzet
6. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat er op de dag van de uitspraak wel al een besluit op de asielaanvraag van opposant bekend was bij de rechtbank.
7. De verzetsgrond slaagt. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de bestreden uitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep buiten redelijke twijfel gegrond was en dat de zaak ten onrechte zonder zitting is afgedaan. Immers, er was al een besluit genomen op de aanvraag van opposant en de rechtbank heeft dat niet onderkend in de bestreden uitspraak.
Conclusie en gevolgen
8. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 18 maart 2026 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart de uitspraak van 18 maart 2026 vervallen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr.J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: