Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep vreemdelingenbewaring – korte periode ter beoordeling – geen gewijzigde omstandigheden – beroep…

Rechtbank Den Haag, 3 juli 2026

Zaakgegevens

Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
3 juli 2026
Datum publicatie
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35175
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18174
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep vreemdelingenbewaring – korte periode ter beoordeling – geen gewijzigde omstandigheden – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.35175


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Verweerder heeft op 15 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft op 25 juni 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

Verweerder heeft op 1 juli 2026 desgevraagd een reactie op de beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 2 juli 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 10 juni 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 10 juni 2026.

4. Eiser voert aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring van 10 tot 15 juni 2026 onrechtmatig is geweest. Er was geen concreet zicht op uitzetting sinds het negatieve resultaat van de Algerijnse autoriteiten en verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld. Verder heeft verweerder geen kenbare individuele belangenafweging gemaakt en is niet inzichtelijk waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van gewijzigde omstandigheden in de te beoordelen periode van 10 tot 15 juni 2026. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 16 juni 2026, nu er geen reden is voor een ander oordeel over het zicht op uitzetting, het voortvarend handelen, de belangenafweging en het lichter middel. Verweerder heeft toegelicht dat de reden van opheffing van de maatregel gelegen is in de verzwaarde belangenafweging die verweerder op 15 juni 2026 heeft gemaakt. Verweerder heeft verder toegelicht dat hij niet gehouden was om deze verzwaarde belangenafweging op een eerder moment te maken. De rechtbank volgt dit, gelet op de duur van de maatregel van bewaring.

6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Vreemdelingenwet 2000. Uitspraken van 15 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:611), 23 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:3572), 26 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6738), 4 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:10522) en 16 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:16235).