Vreemdelingenrecht

Verzet tegen uitspraak op beroep niet tijdig beslissen (NTB), verzet ongegrond. Verzet gedaan door…

Rechtbank Den Haag, 3 juli 2026

Zaakgegevens

Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 juli 2026
Datum publicatie
3 juli 2026
Zaaknummer
NL25.35211 V
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18258
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet tegen uitspraak op beroep niet tijdig beslissen (NTB), verzet ongegrond. Verzet gedaan door oorspronkelijke eiser. Moratorium Syrië.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.35211 V


uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van


[opposant] , V-nummer: [v-nummer] , opposant

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2025 in het geding tussen

opposant

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1.

Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 29 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het beroep van opposant

4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 4 juli 2024.

De uitspraak van 29 oktober 2025

5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur was. Opposant heeft de minister bij brief van 14 juli 2025 medegedeeld dat hij in gebreke was tijdig een besluit te nemen. De beslistermijn van de aanvraag van opposant liep in beginsel tot en met 4 januari 2025. Met ingang van 14 december 2024 gold voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium, waarbij de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, is verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Volgens de rechtbank was de beslistermijn door het besluitmoratorium daarom op 4 januari 2026 verstreken.

De verzetsgronden van opposant

6. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 29 oktober 2025. Volgens opposant is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat de belsistermijn zou lopen tot 4 januari 2026. Primair voert opposant aan dat beëindiging van het moratorium betekent dat de verlenging vervalt en de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden geldt. Subsidiair voert opposant aan dat de beslistermijn is verlopen op 3 juli 2025, omdat dit volgt uit het IND portaal.

De regels in verzet

7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.

Het oordeel van de rechtbank

8. De rechtbank is van oordeel dat terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Daarvoor is het volgende van belang.

8.1.

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 29 januari 2026 neemt zij aan dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden met de ingang van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden. Opposant heeft asiel aangevraagd op 4 juli 2024. De beslistermijn liep in beginsel tot en met 4 januari 2025, maar door de ingang van het besluit- en vertrekmoratorium is de beslistermijn met een jaar verlengd en zou dus zijn verstreken op 4 januari 2026. In haar uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank dus terecht geoordeeld ingebrekestelling van 14 juli 2025 prematuur is. In hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

Conclusie en gevolgen

9. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 29 oktober 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.F. Elzenaar, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538. Zaaknummers: NL25.43751 en NL25.63389, nog niet gepubliceerd.