Vreemdelingenrecht
Verzet tegen uitspraak op beroep niet tijdig beslissen (NTB), verzet gegrond. Verzet gedaan door…
Rechtbank Den Haag, 3 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:18262 · Rechtbank Den Haag · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-18262
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.11404 V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18262
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet tegen uitspraak op beroep niet tijdig beslissen (NTB), verzet gegrond. Verzet gedaan door oorspronkelijke eiser. WBV 2023/3 en moratorium Syrië.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11404 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant]
, V-nummer: [v-nummer] , opposant
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2025 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 29 april 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 29 april 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 29 september 2023.
De uitspraak van 29 april 2025
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de ingebrekestelling prematuur was. Opposant heeft de minister bij brief van 19 februari 2025 medegedeeld dat hij in gebreke was tijdig een besluit te nemen. Verweerder heeft de standaard beslistermijn van zes maanden met negen maanden verlengd met toepassing van WBV 2023/3. Verweerder had in verband met deze verlenging dus eigenlijk uiterlijk op 30 december 2024 moeten beslissen op de aanvraag. Verder geldt met ingang van 11 december 2024 gold voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium, waarbij de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, is verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste 21 maanden. Volgens de rechtbank was de beslistermijn door het besluitmoratorium daarom nog niet verstreken.
De verzetsgronden van opposant
6. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 29 april 2025. Volgens opposant kon verweerder zich gelet op het arrest Zimir niet meer beroepen op WBV 2023/3 als rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn. Daarnaast is het besluit- en vertrekmoratorium ingegaan nadat de beslistermijn was verstreken en kan het moratorium geen terugwerkende kracht hebben.
De regels in verzet
7. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
Het oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel in de uitspraak van 29 april 2025 ten onrechte is geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Er is daarom ten onrechte uitspraak gedaan zonder opposant op zitting te horen. Gelet op het arrest Zimir is het namelijk niet uitgesloten dat een zitting in het licht van het vorenstaande tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Uit dit arrest volgt dat verweerder de beslistermijn kan verlengen als het aantal asielverzoeken in een kort tijdsbestek aanzienlijk toeneemt ten opzichte van het in Nederland gebruikelijke en voorzienbare patroon. Verder mag de praktische moeilijkheid om binnen zes maanden op een aanvraag te beslissen niet worden veroorzaakt door andere omstandigheden dan het grote aantal tegelijk ingediende verzoeken.
9. Omdat het verzet al gegrond is gelet op het arrest Zimir, behoeft de andere verzetsgrond geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
10. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 29 april 2025 vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand van zaken waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het
indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Als aan opposant een toevoeging is verleend, moet de proceskostenvergoeding worden
betaald aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het verzet gegrond;
-
verklaart de uitspraak van 29 april 2025 vervallen;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: