Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep artikel 59, lid 1 aanhef en onder a Vw. Verzwaarde belangenafweging. Voldoende voortvarend…

Rechtbank Den Haag, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35501
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18691
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep artikel 59, lid 1 aanhef en onder a Vw. Verzwaarde belangenafweging. Voldoende voortvarend. Beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.35501


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Procesverloop

De minister heeft op 28 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Seth Paul, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 mei 2026 (in de zaak NL26.26645) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

3.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend en onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er op 24 april 2026 een verzwaarde belangenafweging is gemaakt. Niet is gebleken dat de minister nadien een recente en kenbare verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt, terwijl de belangen van eiser, naarmate de bewaring langer voortduurt, steeds zwaarder zijn gaan wegen. Nu eiser inmiddels ruim acht maanden in bewaring verblijft, had de minister de huidige duur van de bewaring bovendien kenbaar in een recente verzwaarde belangenafweging moeten betrekken. Gelet daarop had van de minister ook meer dan de gebruikelijke voortvarendheid mogen worden verwacht, aldus eiser.

3.2.

In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend en onzorgvuldig heeft gehandeld. De minister dient volgens vaste jurisprudentie voorafgaand aan het verstrijken van de termijn van zes maanden een kenbare verzwaarde belangenafweging te maken. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er op 24 april 2026 een verzwaarde belangenafweging is gemaakt, nadat eiser vanaf 30 oktober 2025 voor een aaneengesloten periode van meer dan zes maanden in bewaring verbleef. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden is om bij de daarop volgende vervolgberoepen telkens in de voortgangsrapportage een recente verzwaarde belangenafweging te maken. De rechtbank ziet hiervoor ook in de regelgeving geen aanknopingspunten. Voor zover eiser heeft willen betogen dat van de minister meer dan de gebruikelijke voortvarendheid mag worden verwacht, volgt de rechtbank dit niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure de minister op 4 juni 2026 en 26 juni 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Nigeriaanse autoriteiten. Daarnaast is er op 9 juni 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan eiser uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.

4. Eiser voert tot slot aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat hij inmiddels al ruim acht maanden in bewaring zit.

5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Als een redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat en de minister voortvarend werkt aan de uitzetting, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Uit het dossier blijkt dat eiser geen medewerking verleent aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, dan wel aan zijn terugkeer naar Nigeria. Daar komt bij dat eiser tweemaal een presentatie in persoon bij de Nigeriaanse vertegenwoordiging heeft geweigerd. De rechtbank begrijpt dat de bewaring voor eiser zwaar valt naarmate deze langer voortduurt. De rechtbank is echter van oordeel dat de hierboven genoemde omstandigheden leiden tot de conclusie dat aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.