Vreemdelingenrecht

Dublin Polen. Verzoek afgewezen.

Rechtbank Den Haag, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37120
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:18868
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin Polen. Verzoek afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.37120


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [V-nummer], verzoekster

gemachtigde: mr. E. Derksen,

en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. K. Jansen.


Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.


Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter 5 juli 2026 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om per omgaande uitspraak te doen op het verzoek nu de vlucht voor overdracht aan Polen is gepland op 9 juli 2026.

De minister heeft op 6 juli 2026 een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting in het kader van de hier te beoordelen voorlopige voorziening verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.10024, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H.B. Slot-Akkerman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.