Vreemdelingenrecht

Aanvraag buiten behandeling gesteld, eiser heeft verzochte informatie niet overgelegd, niet onderbouwd waarom…

Rechtbank Den Haag, 8 juli 2026

Zaakgegevens

Op 8 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
8 juli 2026
Datum publicatie
10 juli 2026
Zaaknummer
NL25.23850 en NL24.52049
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19040
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvraag buiten behandeling gesteld, eiser heeft verzochte informatie niet overgelegd, niet onderbouwd waarom eiser binnen hersteltermijn gevraagde gegevens niet kon overleggen, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.23850 (beroep)

NL24.52049 (voorlopige voorziening)

V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] en [v-nummer 3]

uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] ,

geboren op [geboortedag 1] 1980, van Turkse nationaliteit, eiser,

mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen:

[eiser 2] ,

geboren op [geboortedag 1] 2018, van Turkse nationaliteit,

en

[eiser 3] ,

geboren op [geboortedag 2] 2020, van Turkse nationaliteit,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 12 april 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiser en zijn twee minderjarige kinderen wensen te verblijven bij de ongehuwde partner van eiser, [persoon] (de referent).

1.1.

In het besluit van 17 december 2024 heeft de minister bepaald dat hij de aanvraag niet in behandeling neemt.

1.2.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Eiser heeft hangende dat bezwaar ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend om de werking van het besluit van

17 december 2024 te schorsen.

1.3.

Met het besluit van 20 mei 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de niet in behandeling neming van de aanvraag gebleven.

1.4.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde van eiser en eiser zijn met voorafgaande berichtgeving niet verschenen. De gemachtigde van de minister is eveneens met voorafgaande berichtgeving niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

2. De minister heeft de aanvraag, op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb buiten behandeling gesteld, omdat eiser – ondanks het bieden van herstel van het verzuim – niet de vereiste bewijsstukken aan de minister heeft overgelegd. De minister heeft op grond van de artikelen 7:2 en 7:3 van de Awb afgezien van het horen van eiser.

Vrijstelling griffierecht

3. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank wijst dit verzoek toe.

Buiten behandelingstelling

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld nu eiser reeds bij de aanvraag alle documenten had bijgesloten die voor de behandeling van de aanvraag nodig waren.

4.1.

Voorts is eiser van mening dat de minister een te korte termijn heeft gegeven voor het overleggen van aanvullende documenten nu de minister de aanvraag van april 2024 pas in november 2024 inhoudelijk ging beoordelen. De minister heeft een termijn van acht maanden genomen en gaf aan eiser twee weken de tijd.

De voorwaarden voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag

4.2.

Op grond van artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Awb verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.3.

Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen als de aanvrager niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Voordat een bestuursorgaan besluit om een aanvraag niet in behandeling te nemen dient de aanvrager eerst in de gelegenheid te worden gesteld om de aanvraag binnen een gestelde termijn aan te vullen.

Heeft de minister de aanvraag buiten behandeling mogen stellen?

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag terecht op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling heeft gesteld.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 12 april 2024 een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning regulier en dat hij hierbij diverse stukken heeft overgelegd. De minister heeft eiser naar aanleiding van deze aanvraag met de brief van 6 november 2024 verzocht om de aanvraag compleet te maken. De minister heeft daarbij aangegeven welke stukken ontbreken en welke nadere informatie hij wenst te ontvangen van eiser. De minister heeft eiser twee weken de tijd gegeven om de gevraagde stukken en informatie te verstrekken.

4.6.

De rechtbank merkt op dat eiser de verzochte informatie niet heeft overgelegd. Op 23 november 2024 heeft eiser gereageerd op de brief van de minister, maar hierbij heeft hij enkel genoemd dat hij zich beroept op de hardheidsclausule en dat hij van mening is dat hij voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt. De rechtbank kan het standpunt van eiser dat er een te korte termijn is gegund om de aanvullende informatie te overleggen verder niet volgen. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de hersteltermijn in zijn geval te kort was en waarom hij de gevraagde gegevens niet binnen twee weken kon overleggen. Daarbij had het op de weg van eiser gelegen om, indien hij dit nodig had, te vragen om een langere termijn voor het overleggen van de gevraagde informatie. Eiser heeft in zijn reactie op de brief van 6 november 2024 niet om uitstel verzocht om de aanvraag alsnog compleet te maken. Ook het feit dat de minister de beslistermijn tot tweemaal toe heeft verlengd maakt niet dat de termijn die eiser was gegund voor het overleggen van de aanvullende informatie te kort was. De minister mocht de beslistermijn verlenging en dat staat bovendien los van het feit dat eiser niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek om de aanvraag compleet te maken.

5. De omvang van het geschil beperkt zich tot de vraag of de minister de aanvraag van eiser buiten behandeling heeft mogen stellen en dat is het geval. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel geeft over de overige beroepsgronden van eiser.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de buiten behandeling stelling van zijn aanvraag in stand kan blijven.

7. Nu met deze uitspraak op het beroep van eiser is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.23850:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.52049:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Algemene wet bestuursrecht. Machtiging tot voorlopig verblijf. Eiser verwijst hierbij naar artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.