Vreemdelingenrecht

Eiseres heeft een visum kort verblijf aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. De rechtbank…

Rechtbank Den Haag, 4 maart 2026

Zaakgegevens

Op 4 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
4 maart 2026
Datum publicatie
10 juli 2026
Zaaknummer
NL25.19917
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19046
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eiseres heeft een visum kort verblijf aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing niet in stand kan blijven, omdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.19917


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigden: mr. J.E. Jalandoni en mr. J. Borkent),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de aanvraag van eiseres, die in Iran woont, voor een visum kort verblijf om haar zoon te bezoeken, mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de visumaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf in Nederland. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.

5. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigden van eiseres, S. Razaghi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

6. De minister heeft de visumaanvraag afgewezen, omdat eiseres het doel en de omstandigheden van haar beoogde verblijf in Nederland onvoldoende heeft aangetoond. Ook bestaat er volgens de minister twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van Nederland te verlaten voordat het visum is verstreken. Eiseres heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat zij sociale en economische binding heeft met Iran waardoor zij zal terugkeren voordat het visum verstrijkt. Dat eiseres een zoon, broers en zussen in Iran heeft wonen en dat zij actief deelneemt aan een literatuurgroep vindt de minister onvoldoende sterke sociale binding met Iran om terugkeer te verzekeren. Verder is het feit dat eiseres vermogend is en inkomsten genereert uit de verhuur van woningen die zij bezit volgens de minister onvoldoende sterke economische binding met Iran. De minister heeft het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard en heeft eiseres daarom niet gehoord over haar bezwaar.

Het standpunt van eiseres

7. Eiseres voert aan dat zij voldoende sociale en economische binding heeft met Iran en dat de minister ten onrechte twijfelt aan haar voornemen om het grondgebied van Nederland te verlaten. Eiseres heeft een zoon en naaste familie in Iran wonen. Ook neemt zij al jarenlang actief deel aan een literatuurgroep met vrienden en oud-studiegenoten. Eiseres heeft dus voldoende sociale binding met Iran. Wat betreft de economische binding voert eiseres aan dat zij voldoende vermogen heeft opgebouwd en huurinkomsten uit onroerend goed ontvangt. Ook heeft eiseres een bedrijfsvergunning aangevraagd om haar eigen bedrijf te starten en vervult zij taken binnen het familiebedrijf van haar echtgenoot en zoon. Verder voert eiseres aan dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord over haar bezwaar.

Beoordelingskader

8. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) volgt dat de minister een visum moet weigeren bij redelijke twijfel over het voornemen van een vreemdeling om Nederland te verlaten voor afloop van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum. Bij redelijke twijfel hierover moet de minister het visum al afwijzen. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat hij aan de vereisten voor het gevraagde visum voldoet en om met objectieve bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat hij tijdig zal terugkeren naar het land van herkomst.

9. Bij de beoordeling van de aangeleverde gegevens beschikt de minister over een ruime beoordelingsruimte. Bij die beoordeling mag de minister de sociale en economische binding van de vreemdeling met het land van herkomst betrekken. De rechtbank kan die beoordeling, gezien de ruime beoordelingsruimte die de minister heeft, slechts terughoudend toetsen (zie in dit kader het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862).

Hoorplicht

10. De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit heeft betrokken dat aan eiseres in 2019 een visum is verleend en dat zij toen voor het verstrijken van het visum is teruggekeerd naar Iran. Volgens eiseres is haar situatie sindsdien niet gewijzigd en zou aan haar opnieuw een visum moeten worden verleend. De minister stelt zich op het standpunt dat deze omstandigheid een tijdige terugkeer naar Iran niet verzekert. De minister overweegt in het bestreden besluit dat aan het eerder verstrekte visum maar beperkte waarde kan worden toegekend aangezien de situatie in Iran vóór mei 2018 zodanig anders was, dat niet redelijkerwijs kan worden uitgegaan van dezelfde sociale en/of economische binding als toen.

11. De minister heeft de sociale en economische binding van eiseres in het bestreden besluit beoordeeld aan de hand van een strengere bewijsmaatstaf gelet op de gewijzigde politieke situatie in Iran. Op de zitting heeft de minister benadrukt dat Iran een land is waarvoor een hoog risico geldt voor illegale migratie wat betreft visumaanvragen. Eiseres heeft hierover in beroep pas voor het eerst een standpunt kunnen innemen en voert aan dat de situatie in Iran in 2019 ook niet goed was en dat zij destijds ook tijdig is teruggekeerd. Zij heeft er verder op gewezen dat referent sinds 2019 voor verschillende familieleden garant heeft gestaan en dat deze familieleden tijdig naar Iran zijn teruggekeerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres had moeten horen over haar eerdere terugkeer, de gewijzigde situatie in Iran en de daarmee samenhangende wijziging van de bewijslast die op eiseres rust voor het onderbouwen van haar sociale en economische binding met Iran. Op basis daarvan dient de minister te beslissen over het risico van illegale immigratie van eiseres in het licht van de algemene situatie in Iran en haar sociale en economische binding met Iran. De minister heeft dan ook de hoorplicht geschonden door eiseres niet te horen in bezwaar.

Sociale en economische binding

12. De minister zal opnieuw moeten beslissen of de sociale en economische binding van eiseres met Iran voldoende sterk is in het licht van de algemene situatie in Iran. Het gaat daarbij om een individuele beoordeling, zodat de verklaringen van eiseres over haar binding met Iran en haar voornemen om terug te keren naar Iran van belang zijn. De omstandigheid dat de minister Iran ziet als een land waarvoor een hoog risico geldt voor illegale migratie, betekent niet dat zo’n risico ook voor eiseres geldt. De rechtbank zal de beroepsgronden die zien op de sociale en economische binding dan ook niet verder bespreken.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 van de Awb en de hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de visumaanvraag te nemen. Dit omdat de minister eiseres opnieuw zal moeten horen en vervolgens opnieuw zal moeten beslissen op de visumaanvraag van eiseres. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

15. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 april 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.