Vreemdelingenrecht
De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Volgens eiser had de minister geen…
Rechtbank Den Haag, 6 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19053 · Rechtbank Den Haag · 6 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-19053
Zaakgegevens
Op 6 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 6 maart 2026
- Datum publicatie
- 10 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.52622
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19053
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De minister heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld. Volgens eiser had de minister geen terugkeerbesluit aan hem mogen opleggen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit aan eiser heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52622
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
4. Eiser voert aan dat de minister geen terugkeerbesluit aan hem had mogen opleggen.
5. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit aan eiser geen terugkeerbesluit heeft opgelegd. De minister heeft met de brief van 20 januari 2026 aan de rechtbank bevestigd dat aan eiser geen terugkeerbesluit is opgelegd. Het beroep kan niet slagen, omdat het beroep enkel is gericht tegen het opleggen van een terugkeerbesluit terwijl daarvan geen sprake is.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.