Vreemdelingenrecht

AA. Voornemen niet aan eiser uitgereikt. Besluit bevat een motiveringsgebrek en is in strijd met het…

Rechtbank Den Haag, 9 juli 2026

Zaakgegevens

Op 9 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 juli 2026
Datum publicatie
13 juli 2026
Zaaknummer
NL26.27554 en Nl26.27555
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19307
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

AA. Voornemen niet aan eiser uitgereikt. Besluit bevat een motiveringsgebrek en is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.27554 en NL26.27555

V-nummer: [v-nummer]


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1989, van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Post).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beroep gegrond is en het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op

[geboortedag] 1989. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 mei 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Dahman als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Met het voornemen van 24 april 2026 heeft verweerder laten weten dat hij voornemens is de asielaanvraag van eiser buiten behandeling te stellen. Eiser is namelijk per e-mail van 18 april 2026 uitgenodigd voor de start van zijn asielprocedure op 20 april 2026, maar is zonder tegenbericht niet verschenen. Eiser is nog een keer uitgenodigd om op 24 april 2026 te verschijnen. Eiser is ook toen niet verschenen en heeft daarvoor geen reden opgegeven. Eiser heeft op 12 december 2025 al een terugkeerbesluit en inreisverbod gekregen.

4. Met het bestreden besluit handhaaft verweerder het standpunt zoals dat in het voornemen is ingenomen. Eiser heeft namelijk geen zienswijze opgestuurd. Daarom bestaat er geen aanleiding voor een ander oordeel.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

6. Op de zitting heeft eiser de grond in verband met het niet uitreiken van het bestreden besluit aan de juiste gemachtigde laten vallen.

Is het voornemen aan eiser uitgereikt?

7. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat het voornemen niet aan hem, of aan zijn gemachtigde, is uitgereikt. Eiser heeft dus geen kennis kunnen nemen van het voornemen en dus geen mogelijkheid gehad een zienswijze in te brengen. Dit is in strijd met artikel 3:117, vierde lid, van het Vb. Het afzien van hoor- en wederhoor is eveneens in strijd met artikel 4:8 van de Awb, het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Awb) en artikel 41, tweede lid, eerste streepje, van het Handvest EU.

8. De rechtbank overweegt als volgt. De advocaat van eiser heeft in het beroepschrift en op de zitting toegelicht dat het voornemen nooit aan hem is uitgereikt. Hij kreeg pas een e-mailnotificatie dat hij was gekoppeld als gemachtigde aan de zaak van eiser toen het bestreden besluit werd verzonden. De rechtbank ziet geen reden om aan deze gestelde gang van zaken te twijfelen. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting aangevoerd dat het misschien technisch mogelijk zou zijn om te achterhalen wanneer en aan wie het voornemen is verzonden, maar heeft de verzending van het voornemen niet onderbouwd of aangeboden dit te onderbouwen. De rechtbank stelt dan ook vast dat het voornemen niet aan eiser of aan zijn gemachtigde is verzonden, nog daargelaten dat mr. Boone op dat moment niet de advocaat van eiser was. Uit de e-mailcorrespondentie tussen de Raad voor Rechtsbijstand en mr. Boone blijkt namelijk dat hij niet was gekoppeld aan eiser als zijn asieladvocaat. Nu het voornemen niet aan eiser is uitgereikt, heeft hij ook niet de kans gehad een zienswijze in te brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

9. Omdat het beroep gegrond is komt de rechtbank niet toe aan de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening zal houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken.

11. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de?voorlopige?voorziening?geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.

12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27554:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 8 mei 2026;

- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.27555:

- wijst her verzoek af.

De rechtbank, in beide zaken:

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenbesluit 2000. Algemene wet bestuursrecht. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.