Vreemdelingenrecht
Beroep tegen weigering verblijfsdocument EU. Eiser heeft geen belang meer heeft bij een inhoudelijke…
Rechtbank Den Haag, 13 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:19419 · Rechtbank Den Haag · 13 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-19419
Zaakgegevens
Op 13 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 13 juli 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- AWB 25/8233
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19419
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen weigering verblijfsdocument EU. Eiser heeft geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank kent daarbij overwegende betekenis toe aan de mededeling van de gemachtigde van eiser dat eiser is teruggekeerd naar Turkije, dat eiser de procedure niet wil voortzetten en dat om die reden het beroep zou worden ingetrokken. De rechtbank betrekt daarbij ook de gang van zaken zoals hierboven vanaf 2.3 beschreven. Uit deze proceshouding van de gemachtigde spreekt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen een desinteresse voor de zaak maar ook, door het niet nakomen van de toezegging om het beroep in te trekken, het niet reageren op vragen van de rechtbank en het niet voldoen aan de verplichting om te verschijnen, minachting van de rechtbank
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/8233
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.F. Demirci),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag, en met de handhaving van die afwijzing in bezwaar. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft op 17 januari 2023 een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsdocument EU voor verblijf bij een minderjarig Nederlands kind. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 augustus 2024 afgewezen. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het besluit van 10 maart 2025 heeft de minister dat bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 8 april 2025 beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar (het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn daarbij zonder bericht van verhindering niet verschenen. Ter zitting heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser. De gemachtigde gaf bij die gelegenheid aan dat eiser was teruggekeerd naar Turkije en de procedure niet te willen voortzetten. Er was nog geen gelegenheid geweest om het beroep in te trekken maar dat zou de gemachtigde alsnog doen.
Bij brief van 12 mei 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep nog niet was ingetrokken en de gemachtigde van eiser verzocht dat alsnog binnen 2 weken te doen, of, als eiser de procedure toch wilde voortzetten, dit ook binnen 2 weken aan te geven. Eiser heeft daar niet op gereageerd.
Bij brief van 9 juni 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser bericht dat het beroep op 16 juni 2026 op zitting wordt behandeld en hem opgeroepen daar te verschijnen om te worden gehoord. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat als de gemachtigde niet zou voldoen aan de verplichting om te verschijnen, de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. Een van die gevolgtrekkingen zou kunnen zijn, zo stelt de rechtbank, dat de rechtbank het beroep als ingetrokken zal beschouwen, conform de telefonische toezegging die de gemachtigde heeft gedaan op 17 april 2026.
Het beroep is ter zitting van 16 juni 2026 behandeld. De gemachtigde van eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser is opgeroepen om ter zitting van 16 juni 2026 te verschijnen en dat hij niet aan die verplichting heeft voldaan. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er in die oproeping op gewezen dat als hij niet voldoet aan zijn verplichting om te verschijnen, de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank kent daarbij overwegende betekenis toe aan de mededeling van de gemachtigde van eiser dat eiser is teruggekeerd naar Turkije, dat eiser de procedure niet wil voortzetten en dat om die reden het beroep zou worden ingetrokken. De rechtbank betrekt daarbij ook de gang van zaken zoals hierboven vanaf 2.3 beschreven. Uit deze proceshouding van de gemachtigde spreekt naar het oordeel van de rechtbank niet alleen een desinteresse voor de zaak maar ook, door het niet nakomen van de toezegging om het beroep in te trekken, het niet reageren op vragen van de rechtbank en het niet voldoen aan de verplichting om te verschijnen, minachting van de rechtbank.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank zal dus geen inhoudelijk oordeel geven over het beroep en het besluit van 10 maart 2025. Dit betekent dat dit besluit in stand blijft en eiser geen verblijfsdocument EU krijgt.
6. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
|
griffier |
de rechter is verhinderd |
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.