Vreemdelingenrecht

Terugkeerbesluit. De minister heeft kunnen bepalen dat eiser het land onmiddellijk moest verlaten omdat er…

Rechtbank Den Haag, 14 juli 2026

Zaakgegevens

Op 14 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
14 juli 2026
Datum publicatie
14 juli 2026
Zaaknummer
NL25.14552
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19434
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Terugkeerbesluit. De minister heeft kunnen bepalen dat eiser het land onmiddellijk moest verlaten omdat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.14552

V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 2001, van Indiase nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om tegen eiser een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het terugkeerbesluit blijft in stand. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 maart 2025 heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn uitgevaardigd.

2.1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2.2.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting aan de orde gesteld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit

3. De minister heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000. Het terugkeerbesluit vermeldt dat eiser onmiddellijk moet terugkeren naar India. De minister heeft het terugkeerbesluit opgelegd omdat eiser:

  • Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

  • zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

  • te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

  • geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

  • niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; en

  • arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

Beroepsgronden eiser

4. Eiser voert ten eerste aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven manier is binnengekomen. Uit het dossier blijkt dat eiser van 1 september 2022 tot 3 januari 2023 in het bezit was van een studievergunning. Eiser is Nederland dus wel degelijk legaal ingereisd. Ten tweede voert eiser aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Eiser heeft verklaard bereid te zijn om te vertrekken. Hij is ook in samenwerking met de IOM teruggekeerd naar India. Ten derde voert eiser aan dat hij beschikte over voldoende middelen van bestaan. Hij beschikte over een bedrag van €2.296,-. Ook was hij in staat zijn terugkeer naar India te bekostigen. Eiser beschikte bovendien over een geldig Indiaas paspoort. Ten vierde voert eiser aan dat hij feitelijk beschikte over een vaste verblijfplaats, ondanks het feit dat hij niet ingeschreven stond op het adres. Hij huurde een kamer. Tot slot voert eiser aan dat de minister ten onrechte nog een terugkeerbesluit uitvaardigt terwijl eiser al twee terugkeerbesluiten had. Eiser vindt het derde terugkeerbesluit onnodig. Mocht eiser in de toekomst een visum willen aanvragen, dan zullen de terugkeerbesluiten dat dwarsbomen. Meerdere terugkeerbesluiten wekken de indruk dat er sprake is geweest van meerdere illegale verblijven, terwijl de werkelijkheid anders is. Er was slechts sprake van één lang verblijf.

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft uitgevaardigd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

5.1.

Niet in geschil is dat eiser onrechtmatig in Nederland verbleef. De minister mocht dus een terugkeerbesluit opleggen. Wel in geschil is of de minister mocht bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk moest verlaten.

5.2.

Eiser heeft niet bestreden dat hij zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken en dat hij arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Het is dus niet in geschil dat ten minste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, op eiser van toepassing waren. Dit brengt mee dat de minister kon concluderen dat er een risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en dat de minister kon bepalen dat eiser onmiddellijk het land moest verlaten. Dit brengt ook mee dat wat eiser overigens aanvoert, niet tot het oordeel kan leiden dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Internationale Organisatie voor Migratie.