Vreemdelingenrecht

Verzoek om veroordeling van de minister in de proceskosten. Het verzoek is kennelijk gegrond.

Rechtbank Den Haag, 8 juni 2026

Zaakgegevens

Op 8 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
8 juni 2026
Datum publicatie
20 juli 2026
Zaaknummer
NL25.18426
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20037
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om veroordeling van de minister in de proceskosten. Het verzoek is kennelijk gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18426


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Hijma),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: M.G. Meyboom-de Jong).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten

2. Verzoeker heeft op 25 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze asielaanvraag bij besluit van 31 maart 2025 afgewezen als ongegrond. Verzoeker heeft op 21 april 2025 beroep ingesteld tegen dit besluit. De minister heeft het besluit bij brief van 23 maart 2026 ingetrokken.

3. Verzoeker heeft de rechtbank vervolgens verzocht om het beroep te beschouwen als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en de minister te veroordelen in de voor het beroep gemaakte proceskosten.

4. Op 20 april 2026 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd. Als gevolg van de inwilliging heeft verzoeker het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingetrokken met daarbij het verzoek de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

5. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

7. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

8. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de minister tegemoetgekomen aan het beroep niet tijdig van verzoeker door de asielaanvraag hangende het beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog in te willigen.

9. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 8 juni 2026.

Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).