Vreemdelingenrecht
Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - onrechtmatigheid bestreden besluit en hoogte schadevergoeding niet in…
Rechtbank Den Haag, 20 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20184 · Rechtbank Den Haag · 20 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-20184
Zaakgegevens
Op 20 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 juli 2026
- Datum publicatie
- 20 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.37678
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20184
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - onrechtmatigheid bestreden besluit en hoogte schadevergoeding niet in geschil - beroep gegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37678
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 13 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 15 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de maatregel van bewaring vanaf de oplegging daarvan onrechtmatig was. Verweerder heeft eiser in totaal een schadevergoeding aangeboden van € 1000,-, voor 1 dag verblijf in een politiecel (€ 160,-) en 7 dagen verblijf in het detentiecentrum (€ 840,-). Verweerder heeft geen proceskostenvergoeding aangeboden. Eiser heeft dit aanbod niet aanvaard en onder verwijzing naar eerdere uitspraken van deze rechtbank betoogd dat twee punten proceskostenvergoeding moeten worden toegekend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Nu de onrechtmatigheid van het bestreden besluit en de hoogte van de schadevergoeding niet in geschil zijn, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de reeds aangeboden schadevergoeding toekennen.
4. Eiser betoogt terecht dat daar ook een proceskostenvergoeding bij hoort. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het (in plaats van een fysieke zitting) voeren van een schriftelijke procedure, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.