Vreemdelingenrecht

Dublin Duitsland, niet verschenen aanmeldgehoor, besluit zorgvuldig tot stand gekomen, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23653
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20217
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin Duitsland, niet verschenen aanmeldgehoor, besluit zorgvuldig tot stand gekomen, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.23653


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen


[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.


Toepasselijk recht

4. Op deze zaak is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 12 juni 2026.

Totstandkoming van het besluit

5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard. In het bestreden besluit heeft de minister aangenomen dat eiser geen bezwaren heeft tegen de overdracht aan Duitsland, omdat hij niet is verschenen voor de aanmeldgehoren van 20 en 23 januari 2026.

Is het besluit zorgvuldig tot stand gekomen?

6. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van het overdrachtsbesluit. Volgens eiser had de minister hem opnieuw moeten uitnodigen voor een aanmeldgehoor. Eiser wijst in dit verband op artikel 5 van de Dublinverordening, waaruit volgt dat een persoonlijk onderhoud, zoals een aanmeldgehoor, moet worden gehouden voordat een overdrachtsbesluit wordt genomen. Van de twee mogelijkheden waarin persoonlijk onderhoud achterwege kan blijven is in geval van eiser geen sprake en de minister heeft ook niet gemotiveerd waarom wel sprake zou zijn van één van deze mogelijkheden. Volgens eiser is het besluit daarom onzorgvuldig tot stand gekomen.

Daarnaast voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het niet verschijnen bij het aanmeldgehoor van 20 januari 2026 en 23 januari 2026 zonder daarvoor een reden te hebben voor risico van eiser komt. Volgens eiser heeft hij geen uitnodiging ontvangen. Hoewel eiser erkent dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) blijkt dat hij voor beiden gehoren is uitgenodigd, is volgens hem sprake van een miscommunicatie of een fout. Eiser wijst erop dat hij wel aanwezig is geweest bij het gesprek met zijn gemachtigde op 9 april 2026. Hieruit volgt dat eiser wel gemotiveerd is om informatie over zijn asielaanvraag te verstrekken. Ook onderbouwt de minister niet waaruit volgt dat het niet verschijnen voor een aanmeldgehoor voor risico van eiser moet komen.
Verder voert eiser aan dat hij pas op 9 april 2026 zijn gemachtigde heeft gesproken over de reden waarom hij niet voor het aanmeldgehoor is verschenen. Hierdoor had eiser niet tijdig toegang tot juridische bijstand, waardoor hij ten opzichte van de minister in een nadelige positie is verkeert. Dat het volgens de minister een gebruikelijke gang van zaken is dat eiser na het aanmeldgehoor een advocaat toegewezen krijgt, maakt volgens eiser niet dat het rechtmatig of zorgvuldig is. De gevolgen hiervan dienen voor rekening en risico van de minister te komen.

6.1.

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser op 20 januari 2026 en op 23 januari 2026 is uitgenodigd voor een aanmeldgehoor en hij voor beide gehoren niet is verschenen. In het rapport van 26 januari 2026 staat dat eiser een dag voor het gehoor een uitnodiging heeft gekregen om zich op 23 januari 2026 om 08:15 uur in Budel te melden, maar dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging en de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar heeft gemaakt. Uit het bestreden besluit volgt dat de minister hierover navraag heeft gedaan bij het COa en dat daarbij is gebleken dat eiser een dag voorafgaand aan de geplande gehoren door middel van een ophanglijst op de COa-locatie Budel waar eiser verblijft is uitgenodigd voor de gehoren van 20 januari 2026 en 23 januari 2026. Van deze manier van uitnodigen is eiser schriftelijk door middel van het informatieboekje en ook mondeling door het COa bij aanvang van de procedure op de hoogte gebracht. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat eiser op de hoogte was of in ieder geval had kunnen zijn van de datum en het tijdstip van de aanmeldgehoren. Nu de minister eiser tweemaal heeft uitgenodigd voor het Dublingehoor heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan zijn in artikel 5 van de Dublinverordening neergelegde verplichting tot het arrangeren van een persoonlijk onderhoud. Dat eiser tot twee keer toe, en zonder daarvoor een goede reden te geven, niet op het Dublingehoor is verschenen, komt voor zijn rekening en risico. Er bestaat in dit geval geen grond voor het oordeel dat de minister eiser nog een derde keer had moeten uitnodigen voor het gehoor. Dat er geen Dublingehoor heeft plaatsgevonden maakt in dit geval dan ook niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser ook in de zienswijze de mogelijkheid heeft gehad om bezwaren naar voren te brengen tegen de voorgenomen overdracht aan Duitsland. Eisers stelling dat sprake is van miscommunicatie of fout treft geen doel nu eiser dit niet verder heeft onderbouwd.

Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat hij niet tijdig toegang had tot juridische bijstand. Uit het dossier blijkt dat eiser op 24 februari 2026 een gemachtigde toegewezen heeft gekregen. Dat eiser pas op 9 april 2026 met zijn gemachtigde heeft gesproken valt onder de onderlinge relatie tussen eiser en zijn gemachtigde en is niet de verantwoordelijkheid van de minister.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026). Zoals dat luidde tot 12 juni 2026. artikel 5, tweede lid van de Dublinverordening, zoals dat luidde tot 12 juni 2026.