Vreemdelingenrecht
Dublin Duitsland; minderjarigheid; ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 17 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20242 · Rechtbank Den Haag · 17 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-20242
Zaakgegevens
Op 17 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 17 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.29723
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20242
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin Duitsland; minderjarigheid; ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29723
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 april 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 mei 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister van de minderjarigheid van eiser moeten uitgaan?
4. Eiser voert aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij bij de besluitvorming is uitgegaan van zijn meerderjarigheid. Volgens eiser heeft hij bij zijn asielaanvraag aangegeven minderjarig te zijn. Daarnaast voert eiser aan dat de minister in het bestreden besluit is voorbijgegaan aan de zienswijze, waarin hij dit ook heeft aangevoerd.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ziet op de asielaanvraag van eiser van 15 april 2026. De minister heeft zich op basis van de beschikbare gegevens terecht op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van die aanvraag meerderjarig was. Eiser heeft namelijk in het aanmeldgehoor van 28 april 2026 verklaard te zijn geboren op [geboortedatum] 2007, hetgeen betekent dat eiser ten tijde van de asielaanvraag meerderjarig was. Eiser heeft zijn gestelde minderjarigheid verder niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat de minister niet van zijn geboortedatum van [geboortedatum] 2007 mocht uitgaan.
Voor zover eiser zich beroept op de zienswijze, overweegt de rechtbank dat deze kennelijk betrekking heeft op de eerdere asielprocedure van eiser uit 2025. In die procedure was zijn leeftijd in geschil, is een leeftijdsschouw uitgevoerd en is eiser vervolgens overgedragen aan Duitsland. Die procedure ligt niet ter beoordeling voor.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.