Vreemdelingenrecht
Verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen, kennisgeving.
Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20278 · Rechtbank Den Haag · 21 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-20278
Zaakgegevens
Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.37180
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20278
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen, kennisgeving.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37180
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , verzoeker,
v-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.M. Boesjes),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - de Groot).
Inleiding
1. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. Hij heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de bewaringsmaatregel van 3 juli 2026, omdat de minister de maatregel op 12 juli 2026 heeft opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
2. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. De minister heeft zich in de brief van 13 juli 2026 terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker geen recht heeft op een vergoeding van zijn proceskosten. De maatregel van 3 juli 2026 is door middel van een kennisgeving vanuit de minister aan de rechtbank ter toetsing voorgelegd en niet door middel van een door verzoeker ingesteld beroep. Ook zijn er door verzoeker geen gronden ingediend. Dit maakt dat verzoeker geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen voor vergoeding.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.