Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 23 juli 2026

Zaakgegevens

Op 23 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
23 juli 2026
Datum publicatie
23 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23698
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20610
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin BZ Oostenrijk

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaat Groningen


Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.23698

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

1.2.

Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.

2.1.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Wat vindt eiser?

3. Eiser stelt medische klachten te hebben waardoor overdracht aan Oostenrijk zal leiden tot onevenredige hardheid. Gelet hierop dient de minister de beoordeling van de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Gelet op de psychische klachten van eiser getuigt overdracht van bijzondere hardheid.

Wat oordeelt de rechtbank?

4. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat overdracht van eiser naar Oostenrijk niet getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft in zijn geheel niet onderbouwd dat er sprake is van medische/psychische problematiek en de enkele stelling dat dit het geval is, is onvoldoende. Als al aangenomen moet worden dat sprake is van medische problematiek, mag de minister er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat eiser de nodige zorg ook in Oostenrijk kan krijgen. Eiser heeft geen redenen aangevoerd waarom dit niet het geval zou zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet gesproken kan worden van onevenredige hardheid waardoor artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zou moeten worden toegepast. De minister heeft in het besluit gereageerd op hetgeen door eiser in dit kader naar voren is gebracht en eiser heeft niet onderbouwd waarom deze reactie ontoereikend is. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op dit punt onzorgvuldig is.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.23699.