Vreemdelingenrecht
Bewaring, voortvarendheid, “zwarte lijst”, ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 22 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:20711 · Rechtbank Den Haag · 22 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-20711
Zaakgegevens
Op 22 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 juli 2026
- Datum publicatie
- 24 juli 2026
- Zaaknummer
- NL26.38982
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20711
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring, voortvarendheid, “zwarte lijst”, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38982
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiser ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000.
Procesverloop
Met het besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 7 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 20 juli 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Uit de uitspraak van 7 juli 2026 (NL26.35737) volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 3 juli 2026 rechtmatig is.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
1. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Eiser voert hierbij aan dat hij op 9 juli 2026 is geweigerd door de luchtvaartmaatschappij omdat hij op een zogenaamde “zwarte lijst” zou staan. Eiser is eerder overgedragen en deze informatie had daarom bij de minister bekend moeten zijn. Door dit niet zorgvuldig te hebben bijgehouden, dan wel niet te hebben gecorrespondeerd hierover heeft de overdracht van eiser onnodige vertraging opgelopen. Om die reden wordt eiser ook onnodig langer dan noodzakelijk in bewaring gehouden.
2. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat uit het feit dat eiser eerder is overgedragen op zichzelf niet volgt dat hij nu op een
zwarte lijst staat of nog steeds staat. Verder is van belang dat vliegmaatschappijen informatie over hun zwarte lijsten vanwege privacybescherming niet vrij delen. Eisers betoog dat de minister al eerder op de hoogte had moeten zijn dat een verwijdering onder begeleiding van escorts nodig is faalt daarom.
3. Anders dan eiser in de beroepsgronden stelt, blijkt uit het dossier verder dat na het eerste vertrekgesprek op 2 juli 2026 nog wel een tweede vertrekgesprek met eiser is gevoerd, te weten op 15 juli 2026. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 15 juli 2026 blijkt bovendien dat eiser op de hoogte was van de reden waarom zijn verwijdering op 9 juli 2026 niet is doorgegaan. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend of onzorgvuldig werkt aan de verwijdering uit Nederland.
4. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is met de wet.
Conclusie en gevolgen
Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.