Vreemdelingenrecht

Asiel; verweerder heeft de door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig kunnen achten; reëel risico op…

Rechtbank Den Haag, 17 februari 2026

Zaakgegevens

Op 17 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
17 februari 2026
Datum publicatie
24 juli 2026
Zaaknummer
NL25.59906
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20799
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Asiel; verweerder heeft de door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig kunnen achten; reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM bij terugkeer niet gebleken; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.59906


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Ben-Saddek),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 7 maart 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Vissers als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Eiser heeft in [plaats 1] gewoond en werkte voor zichzelf als handelaar in kleding en schoenen. Ook leende hij geld uit aan klanten. Na een aanvaring met een klant is eiser in mei 2023 naar zijn zoon gegaan in [plaats 2] en heeft daar zijn werkzaamheden hervat. Via een collega van zijn zoon is hij contact gekomen met [naam 1] en [naam 2] , met wie hij zaken is gaan doen tot zij in februari 2024 meer spullen en geld van hem wilden. Eiser heeft dit geweigerd omdat hij niet meer geld had om uit te lenen en zij hun openstaande lening nog niet hadden terugbetaald. Een dag later zijn [naam 1] en [naam 2] samen met twee anderen naar eiser gekomen, hebben aangegeven leden te zijn van de Clan del Golfo, hun wapens getoond en eiser gesommeerd te verdwijnen. Op 5 maart 2024 is eiser gevlucht. Ongeveer 15 dagen na zijn vertrek hebben de mannen bij zijn dochter in [plaats 1] naar eiser gevraagd. Bij terugkeer vreest eiser door de Clan del Golfo gedood te worden.

Het bestreden besluit

3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Verweerder gelooft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. Dat eiser problemen heeft met de Clan de Golfo gelooft verweerder niet. Verweerder werpt eiser hiervoor tegen dat hij zijn asielrelaas niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser is daarom volgens verweerder geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en ook neemt verweerder bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade aan in de zin van artikel 3 van het EVRM. Tot slot heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Door zijn verklaringen geïsoleerd te beoordelen zonder daarbij inzichtelijk te maken hoe deze verklaringen zich tot elkaar verhouden en toe te lichten waarom deze in het licht van eisers referentiekader onverklaarbaar zijn, heeft verweerder artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw onjuist toegepast. Eiser verkeert daarnaast in bewijsnood en verweerder mag niet van hem verlangen dat hij zijn relaas met objectieve documenten onderbouwt. Aan het ontbreken daarvan mag dan ook geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. Verder beoordeelt verweerder eisers werkzaamheden te formalistisch door hem tegen te werpen dat hij wisselend zou hebben verklaard over hoe lang hij dit werk al deed en dat hij niet meer zakenrelaties en locaties kon noemen. Dit ziet immers niet op de kern van het relaas en miskent de informele aard van de handel. Verweerder heeft verder de bedreiging en het risico onjuist beoordeeld door een onjuiste maatstaf te hanteren, onjuiste conclusies te trekken en aannames te doen over de werkwijze van Clan del Golfo. Daarnaast is het gebrek aan activiteit sinds eisers vertrek te verklaren door het feit dat hij zich fysiek buiten het bereik van de groep bevindt. Eisers dochter heeft recent een dreigbrief ontvangen. Nu verweerder het asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder dit niet meegenomen in de beoordeling van het risico bij terugkeer en is het terugkeerbesluit ondeugdelijk gemotiveerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Geloofwaardigheidsbeoordeling

5. Verweerder heeft eisers gestelde problemen met Clan del Golfo niet geloofwaardig geacht. Hiervoor heeft verweerder eiser onder andere tegengeworpen dat zijn verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen.

5.1.

De rechtbank volgt verweerder niet in de tegenwerping dat eiser zijn gewijzigde werkwijze, nadat hij zich bij zijn zoon in [plaats 2] heeft gevoegd, onvoldoende heeft toegelicht. Zoals eiser heeft gesteld blijkt uit zijn verklaring dat hij buiten [naam 1] en [naam 2] om enkel zaken deed met collega’s van zijn zoon, dat hij de zaken op het bedrijf afhandelde wanneer zij werkten en dat ze naar hem werden gestuurd wanneer dat niet het geval was. Soms handelde zijn zoon de betalingen af. Na de bedreiging door [naam 1] en [naam 2] heeft eiser geen nieuwe handel meer bedreven en heeft zijn zoon de openstaande betalingen afgehandeld, ook na eisers vertrek uit Colombia. Waarom deze verklaring niet volstaat of afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers relaas, heeft verweerder ook ter zitting onvoldoende duidelijk gemaakt. Hetzelfde geldt voor de tegenwerping dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedreiging door [naam 1] en [naam 2] verband houdt met zijn weigering om meer spullen en geld te verstrekken. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard dat hij na zijn weigering hen meer geld te lenen duidelijk aan hun gezicht zag dat zij niet blij waren en dat zij de volgende dag gewapend terugkwamen en hem bedreigden. Eiser heeft er dan ook op kunnen wijzen dat het verband blijkt uit de chronologie van gebeurtenissen.

5.2.

De rechtbank overweegt dat verweerder eiser wel heeft kunnen tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over zijn werkzaamheden door eerst te verklaren dat hij twee jaar in [plaats 1] en één jaar in [plaats 2] als handelaar heeft gewerkt, en later te verklaren dat hij dit werk ongeveer tien jaar heeft gedaan. De stelling van eiser in beroep dat dit zou duiden op een verschil tussen de laatste aaneengesloten periode van drie jaar en de totale periode van tien jaar waarin hij zich met vergelijkbare handelsactiviteiten bezighield, volgt niet uit zijn verklaring. Daarbij heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij slechts twee namen van klanten of ondernemingen heeft kunnen noemen waar hij mee samenwerkte, terwijl hij 10 tot 15 klanten had, die hij in persoon opzocht en waarvan hij zelf een administratie bijhield. Ook heeft verweerder eiser mogen tegenwerpen dat hij niet heeft kunnen verklaren wat de naam of locatie van het commercieel centrum in [plaats 3] is waar hij groot inkocht. Dat, zoals eiser stelt, de handel in Colombia veel informeler gaat, neemt niet weg dat verweerder het vreemd heeft kunnen vinden dat eiser zo weinig details heeft kunnen geven over iets waar hij zich jaren mee bezig heeft gehouden. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de verklaring van eiser waarom [naam 1] en [naam 2] hem na maanden handelen ineens gingen bedreigen en wilden dat hij zou verdwijnen, namelijk dat het voor Clan del Golfo niet rendabel was dat hij daar handeldreef terwijl zij mensen afpersten, enkel gebaseerd is op vermoedens en dat dit niet past binnen de bekende handelswijze van groeperingen zoals Clan del Golfo. Als ze dachten dat eiser veel geld verdiende, zoals hij heeft verklaard, valt namelijk niet in te zien waarom ze hem niet zouden afpersen en in plaats daarvan wilden dat hij zou verdwijnen. Ook heeft verweerder er in dit verband op mogen wijzen dat eiser later in het gehoor weer heeft verklaard dat ze waarschijnlijk hadden ontdekt dat hij niet veel geld verdient, wat weer tegenstrijdig is met zijn eerdere verklaring. Daarbij heeft verweerder niet aannemelijk hoeven vinden dat eiser niet wist dat [naam 1] en [naam 2] lid waren van Clan del Golfo, maar wel wist dat zij in de buurt afpersgeld ophaalden. Verweerder heeft ook ongerijmd kunnen vinden dat eiser kennelijk ongezien naar de luchthaven is vertrokken, nu hij zelf heeft verklaard dat na de bedreiging er steeds mensen rond het huis ‘cirkelden’ en dat hij steeds achter in de woning verbleef om te voorkomen dat hij door de ramen gezien zou worden. Tot slot heeft verweerder er in het bestreden besluit op kunnen wijzen dat eiser sinds maart 2024 niets meer van de groep heeft vernomen, wat verder afbreuk doet aan de gestelde problemen. De hiervoor weergegeven tegenwerpingen kunnen het geloofwaardigheidsoordeel van verweerder dragen.

5.3.

Het is de rechtbank verder niet gebleken dat verweerder artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw onjuist heeft toegepast. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht is vastgesteld dat eiser zijn asielrelaas niet met objectieve documenten heeft onderbouwd, waarna verweerder over is gegaan tot beoordeling van zijn verklaringen. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat de tegenwerpingen vooral zijn werkzaamheden en aanverwante zaken betreffen, die de directe aanleiding vormen voor zijn gestelde problemen. Dit zijn dan ook geen details van ondergeschikte aard en verweerder heeft daarom het standpunt kunnen innemen dat de tegenwerpingen afbreuk doen aan de samenhang en aannemelijkheid van zijn asielrelaas.

5.4.

Over de door eiser in beroep overgelegde dreigbrief die zijn dochter op 8 december 2025 zou hebben ontvangen, heeft verweerder ter zitting het standpunt ingenomen dat daar weinig waarde aan gehecht kan worden. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat in de brief niet wordt verwezen naar de Clan del Golfo maar naar de Grupo la Cordillera, dat in de inhoud geen verband wordt gelegd met de gestelde problemen van eiser en dat de timing opmerkelijk is, nu eiser en zijn dochter al langere tijd niets van de Clan del Golfo hebben gehoord. De rechtbank kan dit standpunt volgen.

5.5.

Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door eiser gestelde problemen, ook in samenhang bezien, ongeloofwaardig kunnen vinden. Van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM is dan ook niet gebleken. Evenmin is er grond voor het oordeel dat het terugkeerbesluit ondeugdelijk is gemotiveerd of in strijd is met het beginsel van non-refoulement.

Conclusie en gevolgen

6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.

6.1.

Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van

H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiser verwijst naar het UNHCR Handbook on Procedures en Criteria for Determining Refugee Status, paragrafen 196 – 203. Verslag nader gehoor, pag. 14 en 15. Verslag nader gehoor, pag. 7 en 21. Verslag nader gehoor, pag. 16. Verslag aanmeldgehoor, pag. 6. Verslag nader gehoor, pag. 9 en 10. Eiser heeft enkel een echt bevonden Colombiaans paspoort overgelegd.