Vreemdelingenrecht

Aanvraag voor een visum kort verblijf; Beroep ongegrond; Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen…

Rechtbank Den Haag, 22 juni 2026

Zaakgegevens

Op 22 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 juni 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/12478
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21102
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvraag voor een visum kort verblijf; Beroep ongegrond; Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in Nederland zijn onvoldoende aangetoond; Niet is gebleken dat eiseres een zodanige sociale en economische binding heeft met Kenia.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 25/12478


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen


[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: [referent])

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.
(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing

van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.

1.1

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2024 afgewezen.

Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 op het bezwaarschrift van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2

De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiseres en gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiseres heeft de Keniaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiseres heeft op 17 december 2024 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een visum kort verblijf. Zij wil haar partner, [referent] (referent), bezoeken.

2.1

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om twee redenen afgewezen. Ten eerste

omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zou hebben

aangetoond en ten tweede omdat er redelijke twijfel zou bestaan over het voornemen van

eiseres het Schengengrondgebied te verlaten vóór het verstrijken van het visum.

Wat vindt eiseres in beroep?

3. Eiseres kan zich niet vinden in het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres voert allereerst aan dat zij geen objectief verifieerbare bewijsmiddelen van de liefdesrelatie met referent kan overleggen, omdat zij elkaar nog niet lang kennen en elkaar nog niet in levende lijve hebben ontmoet. Verder is het bestreden besluit in strijd met de Rechten van de Mens, namelijk het recht op een vrije partnerkeuze. Bovendien heeft verweerder zich niet gehouden aan de onschuldpresumptie door er vanuit te gaan dat eiseres en referent liegen. Daar komt bij dat verweerder eiseres onvolledig heeft voorgelicht over de documenten die nodig zijn. Verweerder heeft de verplichting om de aanvragers te adviseren tijdens het indienen van een visumaanvraag. Eiseres wijst er ook op dat verweerder heeft gevraagd om een PIN certificaat en zich daarna op het standpunt heeft gesteld dat hieruit niet blijkt dat zij daadwerkelijk werkzaam is als zelfstandige kapster en schoonheidsspecialiste. In het beroepschrift heeft eiseres foto’s, het huurcontract en de vergunning van de salon overgelegd. Eiseres heeft tot slot aangevoerd dat zij en referent niet van plan zijn om de wetten en regels te breken die samenhangen met het visum.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. Hieronder

motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

5. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode blijkt dat verweerder verplicht is een visum te weigeren indien redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Dat staat onder andere in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Koushkaki. Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Als naar gelang de sociale dan wel economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.

Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf in Nederland onvoldoende zijn aangetoond bij de visumaanvraag. Gelet op het feit dat referent al in een vroeg stadium van het contact met eiseres de aanvraag voor de afgifte van een visum kort verblijf heeft ingediend, beschikte hij nog niet over veel objectief verifieerbare stukken ten aanzien van hun relatie. Dat laat echter onverlet dat er meer stukken nodig zijn om het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf aan te tonen. De rechtbank merkt hierover op dat dat die stukken er wellicht wel zijn naarmate het contact langer duurt en de liefdesrelatie bestendiger wordt. Het staat eiseres dan vrij opnieuw een visum aan te vragen.

7. Dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond was – vanwege de imperatieve weigeringsgronden in de Visumcode – al voldoende voor verweerder om de aanvraag af te wijzen. Reeds hierom is het beroep ongegrond. De rechtbank zal echter ook de beroepsgronden van eiseres die zien op de sociale en economische binding met Kenia bespreken.


Sociale en economische binding met het land van herkomst
8. Voor wat betreft de sociale en economische band met het land van herkomst geldt

dat er blijk moet zijn van voldoende redenen om na afloop van het visum terug te keren naar

het land van herkomst. De beoordeling daarvan wordt zoveel mogelijk beperkt tot objectieve gegevens. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres het Schengengrondgebied te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het beoogde visum, omdat zij onvoldoende sociale en economische binding met haar land van herkomst heeft.

Sociale binding

8.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat eiseres een zodanige sociale binding heeft met Kenia, dat een tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. De enkele omstandigheid dat eiseres familieleden, waaronder haar ouders, in Kenia heeft wonen, is onvoldoende om een dergelijke sociale binding aan te nemen. Verweerder heeft daarnaast van belang kunnen achten dat eiseres niet met stukken heeft aangetoond dat zij een achterblijvend minderjarig kind heeft. Ook indien er wel vanuit zou worden gegaan dat eiseres een achterblijvend minderjarig kind heeft, neemt dit de twijfel over een tijdige terugkeer naar Kenia onvoldoende weg. Verweerder heeft hierbij van belang mogen achten dat eiseres en haar gestelde kind samenwonen met haar moeder en zus en dat eiseres heeft aangegeven dat haar moeder en zus voor haar gestelde kind zullen zorgen tijdens haar verblijf in Nederland. Verder is niet gebleken dat eiseres de zorg heeft voor andere directe familieleden of zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen heeft die maken dat zij om die reden tijdig zal terugkeren naar Kenia. Het betoog van eiseres dat zij en referent niet van plan zijn om de wetten en regels te breken die samenhangen met het verstrekte visum, maakt voorgaande niet anders. Eiseres heeft met deze enkele stelling de tijdige terugkeer na afloop van het beoogde verblijf onvoldoende gewaarborgd. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat de stelling in het bezwaarschrift dat eiseres en referent in Nederland willen ontdekken of hun relatie gaat werken, maakt dat er juist sprake is van een sociale band met Nederland.

Economische binding
8.2. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat eiseres een zodanige economische binding heeft met Kenia, dat een tijdige terugkeer naar dat land voldoende is gewaarborgd. Eiseres heeft een PIN certificaat overgelegd waaruit af te leiden is dat zij vanaf 19 september 2019 ingeschreven stond voor de inkomstenbelasting. Hoewel onder 5.4 van de Checklist voor een visumaanvraag voor familie- of privébezoek staat vermeld dat zelfstandig ondernemers enkel een PIN certificaat dienen te overleggen bij hun aanvraag, is het criterium dat geldt volgens de Visumcode of de aanvrager daadwerkelijk economische activiteiten verricht en daarbij een regelmatig en substantieel inkomen genereert waardoor er economische binding met het land is. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt.

9. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, heeft verweerder naar het oordeel van

de rechtbank de visumaanvraag van eiseres mogen afwijzen. Hoewel de rechtbank eiseres wel kan volgen dat uit de checklist lijkt te volgen dat enkel het overleggen van een Kenya PIN Certificate noodzakelijk is, volgt uit artikel 14 van de Visumcode dat de bewijslast bij eiseres ligt om aan te tonen dat zij aan de vereisten voor het gevraagde visum voldoet. Om economische binding met het land van herkomst aan te tonen, dienen dan ook stukken te worden overgelegd waaruit reële bedrijfsactiviteiten blijken. Indien een aanvrager aantoont een lopend bedrijf te hebben, waarvoor zijn aanwezigheid is vereist, is daarmee aannemelijk gemaakt dat de aanvrager (tijdig) zal terugkeren. Het enkel overleggen van een PIN Certificate is daartoe onvoldoende, nu hieruit enkel blijkt van een inschrijving voor de inkomstenbelasting.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, onder ii van de Visumcode. Het grondgebied van de lidstaten waarin het Schengenacquis volledig wordt toegepast. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b van de Visumcode. Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.