Vreemdelingenrecht
Asiel Syrië - onderzoek heropend gelet op recente informatie over veiligheid Koerden - geen reactie van…
Rechtbank Den Haag, 8 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21145 · Rechtbank Den Haag · 8 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21145
Zaakgegevens
Op 8 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 juni 2026
- Datum publicatie
- 29 juli 2026
- Zaaknummer
- NL25.61047 en NL26.4330
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21145
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel Syrië - onderzoek heropend gelet op recente informatie over veiligheid Koerden - geen reactie van verweerder na heropening - beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61047 en NL26.4330
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen afwijzende besluit op zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 1 april 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 12 december 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag (zaaknummer NL25.61047). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 januari 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op 26 januari 2026 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit (zaaknummer NL26.4330).
De rechtbank heeft de beroepen op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en F. Said als tolk. Namens verweerder is met voorafgaand bericht geen gemachtigde verschenen.
Nadat het onderzoek op de zitting is gesloten, heeft de rechtbank op 9 april 2026 het onderzoek heropend en verweerder een termijn van twee weken gegeven om te reageren op dat wat door eiser op de zitting naar voren is gebracht. Op 24 april 2026 heeft de rechtbank telefonisch contact opgenomen met verweerder om erop te wijzen dat er nog geen reactie was ontvangen. Op 29 april 2026 heeft de rechtbank een bericht in het digitale dossier geplaatst waarin zij verweerder heeft verzocht om uiterlijk op 11 mei 2026 alsnog een reactie in te dienen. Daarbij heeft zij aangegeven dat de rechtbank er bij geen reactie vanuit zal gaan dat verweerder toestemming verleent om het onderzoek te sluiten zonder tweede zitting. Vervolgens heeft eiser nog tot 18 mei 2026 de tijd gekregen om te laten weten of hij toestemming verleent om af te zien van een tweede zitting. Tot slot heeft de rechtbank in dit bericht aangegeven dat zij, wanneer zij op 18 mei 2026 geen reactie heeft ontvangen van beide partijen, het onderzoek sluit en binnen vier weken uitspraak doet.
Omdat de rechtbank op 18 mei 2026 geen reactie had ontvangen van beide partijen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en doet zij uitspraak zonder nadere zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Aan het begin van de oorlog in Syrië, nadat IS de macht kreeg in zijn woonplaats, heeft eiser Syrië verlaten. Bij terugkeer vreest hij als Koerd voor vervolging vanuit het huidige regime en de gewapende groeperingen Hamzat en Amshat. Ook vreest hij gerekruteerd te worden voor de dienstplicht door de Koerden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de problemen met IS voordat eiser Syrië heeft verlaten, zijn volgens verweerder geloofwaardig. De problemen met de gewapende groeperingen Hamzat en Amshat vindt verweerder niet geloofwaardig. Zo waren deze groeperingen nog niet actief in Aleppo toen eiser Syrië heeft verlaten en komt de stelling van eiser dat deze groeperingen hetzelfde zijn als IS niet overeen met landeninformatie. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Hamzat en Amshat hem persoonlijk zoeken. Verder is eiser twee jaar nadat de oorlog is begonnen nog teruggekeerd vanuit Turkije naar Syrië en dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn vrees voor de gewapende groeperingen. Eisers stelling dat het huidige Syrische regime een afspraak met Turkije heeft om alle Koerden te vermoorden, vindt verweerder ook ongeloofwaardig. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd en dit is ook niet in lijn met landeninformatie. Verweerder vindt het verder niet geloofwaardig dat eiser gerekruteerd zal worden voor de dienstplicht als hij in Koerdisch gebied gaat wonen. Eiser valt niet binnen de gewilde leeftijdscategorie en hij kan een vrijstelling vragen omdat hij in het verleden in het regeringsleger heeft gediend.
Eiser heeft volgens verweerder geen gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Syrië omdat hij zijn vrees vanwege zijn Koerdische etniciteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook loopt eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade. IS heeft niet meer de macht in eisers voormalige woonplaats dus het is niet aannemelijk dat eiser nog van hen te vrezen heeft. Verweerder neemt voor heel Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan, maar niet is gebleken van individuele omstandigheden waardoor eiser een groter risico zou lopen om slachtoffer te worden van dit willekeurige geweld.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder is er in de besluitvorming ten onrechte vanuit gegaan dat eiser in 2011 Syrië heeft verlaten. Uit eisers verklaringen in het aanmeldgehoor en het nader gehoor blijkt dat eiser waarschijnlijk rond 2013 Syrië heeft verlaten, maar dat niet volledig duidelijk is wanneer hij Syrië precies heeft verlaten. De stelling van verweerder dat de Amshat-groepering niet actief was in of rondom Aleppo rond de tijd dat eiser nog in Syrië verbleef, berust daarmee op een onjuiste motivering. Hetzelfde geldt voor de Hamzat-groepering. Ook heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat de Hamzat-groepering geen voortzetting is van IS. De overstap van IS-commandanten naar deze groepering past binnen een patroon van ideologische en operationele continuïteit. Bij terugkeer naar Syrië heeft eiser een aannemelijke vrees voor beide groeperingen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Omdat eiser eerst een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingesteld, en op dit beroep nog geen uitspraak is gedaan, zal de rechtbank hier eerst op ingaan.
6. Eiser heeft verweerder met de brief van 25 november 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 12 december 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 21 januari 2026 heeft verweerder alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep met zaaknummer NL25.61047 is daarom, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
7. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit. Het beroep dat eiser afzonderlijk tegen dit besluit heeft ingesteld, met zaaknummer NL26.4330, zal de rechtbank daarom niet-ontvankelijk verklaren.
8. Op de zitting heeft eiser een pleitnota overgelegd met recente informatie over de veiligheid van Koerden in Syrië. Eiser heeft toegelicht dat hij deze informatie inroept in het licht van zijn beroep op vluchtelingschap, artikel 3 van het EVRM en artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder is niet verschenen op de zitting vanwege beperkte capaciteit en heeft hier daarom niet op kunnen reageren. Omdat de rechtbank een reactie van verweerder wel noodzakelijk vond om een oordeel te kunnen geven over deze zaak, heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder de mogelijkheid te geven te reageren op dat wat door eiser op de zitting naar voren is gebracht. Verweerder heeft van deze mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt, hoewel de rechtbank verweerder hier nog telefonisch aan herinnerd heeft en nog een nadere termijn heeft gesteld (zoals weergegeven onder 1.3.). De rechtbank is van oordeel dat het achterwege blijven van een reactie van verweerder onzorgvuldig is en ziet hierin reden om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Dit betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen waarin alsnog wordt ingegaan op dat wat eiser in beroep en op de zitting naar voren heeft gebracht.
9. Op 1 juni 2026 heeft eiser nog twee patiëntendossiers toegevoegd aan het digitale dossier. Naast het feit dat het onderzoek op dat moment al gesloten was, en de rechtbank deze stukken alleen daarom al niet kan betrekken bij deze uitspraak, zien de stukken op het medisch advies dat door verweerder wordt opgesteld in het kader van het toegekende uitstel van vertrek dat eiser heeft gekregen in afwachting van een beslissing in het kader van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit valt buiten de omvang van het huidige geschil over de afwijzing van de asielaanvraag.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep met zaaknummer NL25.61047 is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep met zaaknummer NL25.61047 is gegrond voor zover gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op eisers aanvraag. Hierbij moet hij rekening houden met deze uitspraak.
11. Het beroep met zaaknummer NL26.4330 is niet-ontvankelijk.
12. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep met zaaknummer NL25.61047, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
-
verklaart het beroep met zaaknummer NL25.61047, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
-
verklaart het beroep met zaaknummer NL26.4330 niet-ontvankelijk;
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
€ 934,- en een wegingsfactor ½, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.