Vreemdelingenrecht

Dublin/AMBV. In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer…

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37094 en NL26.37095
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21265
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin/AMBV. In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure nog gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht. Het bestreden besluit is van 29 juni 2026, toen de AMBV al gold. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister hoefde niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening/35 van de AMBV eisers asielaanvraag in behandeling te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.37094 (beroep) en NL26.37095 (voorlopige voorziening)


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Weststrate).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 13 maart 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. Hij stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 juni 2026 niet in behandeling genomen omdat hij Litouwen verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

1.2.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is niet verschenen.

1.3.

Na afloop van de zitting hebben de rechtbank en de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Daarbij is meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stond in de Dublinverordening.Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateert de aanvraag van vóór 12 juni 2026. Ook is de - vanaf 12 juni 2026 niet meer bestaande - voornemenprocedure nog gevolgd en heeft verweerder in dat kader een voornemen uitgebracht. Het bestreden besluit is echter genomen op 29 juni 2026, toen de AMBV al gold. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.

3. Op grond van de AMBV neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit navraag bij Litouwen is gebleken dat eiser van Litouwen een verblijfstitel heeft gekregen. Deze verblijfstitel is geldig van 12 december 2025 tot 12 december 2027. Eiser heeft dus in Nederland asiel aangevraagd terwijl zijn verblijfstitel in Litouwen nog geldig is. Nederland heeft Litouwen daarom op 11 mei 2026 gevraagd om eisers asielaanvraag over te nemen. Op 13 mei 2026 zijn de autoriteiten van Litouwen hiermee akkoord gegaan.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat Litouwen verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Ook is niet in geschil dat ten aanzien van Litouwen kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

5. Dan resteert de vraag of verweerder de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag van eiser vanwege zijn persoonlijke situatie toch naar zich toe had moeten trekken. Deze discretionaire bevoegdheid had verweerder op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en nu op grond van artikel 35, eerste lid, van de AMBV. Eiser voert aan dat hij geen enkele feitelijke of sociale binding met Litouwen heeft. Zijn verblijf in Litouwen was uitsluitend gebaseerd op een arbeidsgerelateerde verblijfstitel. Hij heeft dus nimmer een asielprocedure in Litouwen doorlopen. Hij heeft geen sociaal netwerk in Litouwen en acht zich niet in staat daar een bestaan op te bouwen. Daarnaast voelt eiser zich beter in Nederland en neemt hij hier deel aan taalonderwijs en sportactiviteiten. Verweerder had daarom een belangenafweging moeten maken. Verweerder heeft in het bestreden besluit enkel verwezen naar het algemene uitgangspunt van artikel 35 van de AMBV en ten onrechte niet gemotiveerd waarom hij de verantwoordelijkheid voor eisers asielaanvraag niet naar zich toetrekt.

6. Verweerder is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat in deze zaak artikel 43 van de AMBV van toepassing is en dat de rechtbank het al dan niet toepassen van deze discretionaire bevoegdheid niet meer mag beoordelen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd uitgelegd dat als de rechtbank dit anders ziet, verweerder in dat geval vasthoudt aan zijn standpunt zoals neergelegd in het voornemen. Verweerder ziet geen aanleiding om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen. Zoals overwogen onder 2, beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit betekent dat de rechtbank het al dan niet toepassen van de discretionaire bevoegdheid wel beoordeelt.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft uitgelegd waarom hij in de gestelde persoonlijke omstandigheden van eiser geen reden ziet om eisers asielaanvraag toch in behandeling te nemen. De enkele omstandigheid dat eiser in Litouwen nog geen asielprocedure heeft doorlopen, geen sociaal netwerk daar heeft en dat hij zich beter voelt in Nederland, is onvoldoende zwaarwegend om te oordelen dat verweerder de verantwoordelijkheid voor eisers asielaanvraag naar zich toe had moeten trekken.

8. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Het beroep is daarom ongegrond.

9. Bij deze beslissing van de rechtbank, is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11. Tegen de beslissing van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na ontvangst van het proces-verbaal van deze uitspraak. Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen de beslissing op het beroep van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Verordening (EU) nr. 604/2013. Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.