Vreemdelingenrecht

Proces-verbaal uitspraak, verlenging overdrachtstermijn wegens onderduiken, Dublin Frankrijk.

Rechtbank Den Haag, 2 april 2026

Zaakgegevens

Op 2 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
2 april 2026
Datum publicatie
30 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4746 en NL26.4747
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21281
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Proces-verbaal uitspraak, verlenging overdrachtstermijn wegens onderduiken, Dublin Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.4746 (beroep) en NL26.4747 (vovo)


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: mr. C.H.R. Vink).

Procesverloop

Bij brief van 22 januari 2026 heeft verweerder besloten tot het verlengen van de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser aan Frankrijk. De verlenging is geschied op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, vanwege onderduiken van eiser.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, zijn gemachtigde was wel aanwezig evenals de gemachtigde van verweerder.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Overwegingen


Bij brief van 22 januari 2026 heeft verweerder aan eiser bekendgemaakt om de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser aan Frankrijk te verlengen, omdat eiser is ondergedoken. Uit informatie van het COa is gebleken dat eiser op 21 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft daarop bij de Franse autoriteiten op 22 januari 2026 bericht dat de overdracht niet binnen de gestelde termijn kan plaatsvinden als gevolg van het onderduiken door eiser en dat volgens artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn van zes maanden wordt verlengd tot achttien maanden. Tegen deze verlenging heeft eiser beroep ingesteld.

In het beroepschrift is vermeld dat eiser de trein naar zijn vlucht op 22 januari 2026 heeft gemist. Op zitting is deze verklaring niet gehandhaafd en is een andere lezing van de gebeurtenissen gegeven. Eiser zou niet op de hoogte zijn geweest van de vlucht. Namens eiser is verklaard dat eiser op straat leeft, maar dat hij wel wil terugkeren naar Frankrijk.

Eiser is verder niet op zitting verschenen om een nadere toelichting te geven.


De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van onderduiken. Niet aannemelijk is gemaakt dat eiser niet op de hoogte was van de vlucht. Daarbij acht de rechtbank van belang dat op 12 januari 2026 een kennisgeving aan de advocaat van eiser is verzonden met betrekking tot de vlucht van 22 januari 2026 om 07:20 uur. Daarnaast is aan eiser zelf bij de avonddienst van de receptie van de COa medegedeeld dat hij de volgende dag zou vliegen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van onderduiken, waardoor de overdrachtstermijn rechtsgeldig is verlengd.

Nu het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- verklaart de voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 19 maart 2026 door mr. J.J.P. Bosman rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.