Vreemdelingenrecht

vovo – niet-ontvankelijk – pkv

Rechtbank Den Haag, 3 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 3 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
3 augustus 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.12626
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21692
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vovo – niet-ontvankelijk – pkv

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.12626


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Op 6 december 2024 heeft verweerder het verblijfsrecht van verzoeker beëindigd en is verzoeker ongewenst verklaard.

Tegen het besluit van 6 december 2024 heeft verzoeker op 13 december 2024 bezwaar ingediend. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend op 17 maart 2025.

Bij besluit van 30 november 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht en de ongewenstverklaring gegrond verklaard en zijn verzoek om vergoeding van proceskosten in bezwaar afgewezen.

Naar aanleiding van het besluit van 30 november 2025 heeft gemachtigde van verzoeker op 4 februari 2026 bericht nog steeds procesbelang te hebben in de voorlopige voorzieningsprocedure omdat de proceskosten van de voorlopige voorziening niet vergoed zijn.

Verweerder heeft op 24 februari 2026 een reactie ingediend.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan een voorlopige voorziening alleen worden verzocht zolang er bezwaar of beroep aanhangig is.

2. Aangezien verweerder inmiddels op het bezwaar heeft beslist, is er geen bezwaar meer aanhangig. Gebleken is dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar, terwijl de termijn daarvoor inmiddels is verlopen, zodat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb (het aanmerken van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar als een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep). Derhalve moet worden geoordeeld dat met betrekking tot het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet meer is voldaan aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb vervatte connexiteitsvereiste. Het verzoek is dan ook thans kennelijk niet-ontvankelijk te achten. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet meer kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dus ook niet kan toekomen aan de vraag of op grond van die beoordeling een proceskostenvergoeding en/of vergoeding van het griffierecht aangewezen is.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Algemene wet bestuursrecht.