Vreemdelingenrecht
De asielaanvraag is buitenbehandeling gesteld wegens eisers afwezigheid op het gehoor. Eiser heeft voldoende…
Rechtbank Den Haag, 4 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21702 · Rechtbank Den Haag · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21702
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.33730, NL26.36495 en NL26.36496
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21702
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De asielaanvraag is buitenbehandeling gesteld wegens eisers afwezigheid op het gehoor. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uitnodigingen niet heeft ontvangen, waardoor het beroep gegrond is. Het tweede beroep is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.33730, NL26.36495 en NL26.36496
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de buiten-behandelingstelling van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2000 en stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 20 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 juni 2026 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen op het gehoor. Op 16 maart 2026 is eiser uitgenodigd voor zijn gehoor, dat 25 maart 2026 gepland stond. Eiser is niet bij dit gehoor verschenen. Eiser is op 12 maart 2026 uitgenodigd voor een gehoor op 26 maart 2026. Eiser is daar ook niet verschenen, beide keren zonder opgave van redenen. De uitnodigingsbrieven zijn naar het AZC in Eindhoven gestuurd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met de buiten-behandelingstelling van zijn aanvraag en voert het volgende aan. Eiser was weliswaar woonachtig in het AZC in Eindhoven, maar hij heeft de uitnodigingsbrieven van 12 en 16 maart 2026 nooit ontvangen. Verweerder heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar waarom eiser niet ter gehoor is verschenen. Het is onduidelijk of het AZC in Eindhoven de uitnodigingsbrieven wel heeft ontvangen. Bij het AZC is de gang van zaken dat er een lijst hangt bij de receptie waarop staat vermeld voor wie er post is. De bewoner kan de post ophalen en tekenen voor ontvangst ervan. Dit is niet gebeurd bij de uitnodigingen voor het gehoor. Eiser gaat daarbij consequent met zijn post naar het contactpersoon bij het COA, mevrouw [naam] , voor uitleg over wat hij moet doen. Eiser legt verder een mailwisseling met haar over, waarin de zij schrijft dat eiser “geen brief/uitnodiging heeft gehad”.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling kon stellen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Beroep NL26.33730
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet is verschenen voor de gehoren op 25 en 26 maart 2026.
6. De rechtbank gaat ervan uit dat de uitnodigingen door verweerder naar het juiste adres van eiser zijn verzonden. Op beide brieven staat het adres van het AZC in Eindhoven, waar eiser op dat moment verbleef, en de gemachtigde van verweerder heeft ter zitting de verzendadministratie getoond, waarop te zien is dat beide brieven naar he AZC in Eindhoven zijn verzonden. De vraag die voorligt is of eiser desondanks op niet ongeloofwaardige wijze heeft aangetoond dat de juist verzonden post hem desondanks niet heeft bereikt en het daarom niet aan hem is toe te rekenen dat hij niet bij de gehoren is verschenen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uitnodigingen voor de gehoren niet heeft ontvangen. Eiser heeft uiteengezet hoe hij normaal gesproken zijn post ontvangt: als er post is voor hem, dan wordt dit vermeld op een lijst bij de receptie van het AZC. Hierop staat het kamernummer en de initialen van de betreffende bewoner. Na identificatie krijgt de bewoner de post overhandigd en moet hij voor ontvangst tekenen. Eiser heeft een foto van de lijst bij de receptie overgelegd, waarop hij niet staat vermeld. Het bericht van eisers contactpersoon bij het COA waarin staat dat eiser geen brief of uitnodiging van verweerder heeft gehad, onderbouwt de stelling van eiser, mede omdat eiser volgens zijn contactpersoon consequent met zijn post naar haar toe gaat voor tekst en uitleg. Verder acht de rechtbank nog van belang dat verweerder niet heeft onderbouwd dat eiser een ontvangstbewijs zou hebben ondertekend.
8. Doordat eiser het niet ontvangen van de uitnodigingen op niet ongeloofwaardige wijze heeft aangetoond, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank een verschoonbare reden voor het niet verschijnen op de gehoren. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden.
Beroep NL26.36495
9. De rechtbank begrijpt dat eiser het beroep met het zaaknummer NL26.36495 heeft ingediend, omdat hij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep met het zaaknummer NL26.33730 wenste. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 11 juni 2026 al inhoudelijk heeft beoordeeld in de procedure met zaaknummer NL26.33730, bestaat er voor partijen geen belang bij een herhaalde inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep met zaaknummer NL26.36495 zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Eiser heeft ten aanzien van dit beroep ook geen recht op vergoeding van de proceskosten.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep in de procedure met zaaknummer NL26.33730 is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder zal eiser alsnog moeten horen en vervolgens een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
11. Het beroep in de procedure met zaaknummer NL26.36495 is niet-ontvankelijk.
12. Omdat op het beroep is beslist in de procedure met zaaknummer NL26.33730, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Verweerder moet de proceskosten vergoeden. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op €1.868.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep met zaaknummer NL26.36495 niet-ontvankelijk;
-
verklaart het beroep met zaaknummer NL26.33730 gegrond;
-
draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
-
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van €1.868,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.