Vreemdelingenrecht
Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser op…
Rechtbank Den Haag, 2 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21719 · Rechtbank Den Haag · 2 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21719
Zaakgegevens
Op 2 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.12664
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21719
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser op goede gronden ongeloofwaardig bevonden. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel gaat daarbij ook niet op, omdat de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, geen vergelijkbare situatie is. Daarnaast is de terugkeer van eiser niet in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Beroep ongegrond.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12664
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. O. Sari).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw1. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser op goede gronden ongeloofwaardig bevonden. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel gaat daarbij ook niet op, omdat de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, geen vergelijkbare situatie is. Daarnaast is de terugkeer van eiser niet in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn2. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum] 1998. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 maart 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Sleiman als tolk en mr. G.J. Douma als de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op de zitting geschorst zodat de minister onderzoek kon laten doen naar de geboorteakte van eiser en de identiteitskaart van zijn gestelde moeder.
[afbeelding niet beschikbaar]1. Vreemdelingenwet 2000.
2 Richtlijn 2011/95/EU.
Op 10 februari 2026 heeft de minister de verklaring van onderzoek3 van Bureau Documenten overgelegd en een reactie daarop gegeven. Op 2 maart 2026 heeft eiser daarop gereageerd.
De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien om het beroep op een tweede zitting te behandelen. Na afloop van de zitting is namelijk een nieuw ambtsbericht over Soedan4 uitgebracht en is het zogenoemde 15c-beleid5 rondom Soedan gewijzigd.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op zitting op 12 mei 2026 hervat. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A.I. Abdelfattah als tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is daarna op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Wat is het asielrelaas van eiser?
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren in [geboorteplaats] in Eritrea. Eiser behoort tot de Tigré bevolkingsgroep en de Beni Amar-stam. De ouders van eiser zijn vanwege de oorlog gevlucht naar Soedan toen eiser twee jaar oud was. Zij woonden in [plaats]. Zijn ouders zijn, omdat eiser naar Nederland was vertrokken, teruggekeerd naar Eritrea. Eiser kan niet terug naar Eritrea, omdat hij niet de levenslange militaire dienstplicht wil vervullen.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- het moeten vervullen van de dienstplicht in Eritrea;
- de illegale uitreis uit Eritrea.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft dit niet aangetoond met documenten. Wel heeft eiser een kopie van een identiteitskaart van zijn gestelde moeder overgelegd, maar deze heeft geen inhoudelijke waarde voor het vaststellen van de eigen identiteit, nationaliteit en herkomst. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Omdat de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn, worden de andere twee asielmotieven niet verder beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser voert aan dat onterecht voorbij is gegaan aan de identiteitskaart van zijn moeder. Het draagt bij aan het aannemelijk maken van zijn identiteit en nationaliteit. De identiteitskaart past namelijk binnen de verklaringen van eiser. Meer kan er ook niet in redelijkheid van eiser worden verwacht, omdat hij zelf buiten Eritrea is opgegroeid en verder in bewijsnood verkeert. Daarnaast wordt ten onrechte door de minister vastgehouden
[afbeelding niet beschikbaar]3 Van 5 februari 2026, met zaaknummer Z1-194763565581.
4 Algemeen ambtsbericht Soedan van 1 december 2025.
5 Zie de brief van de minister aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 2 maart 2026 (nr. 3520).
aan details waarover eiser niet kan verklaren, omdat hij niet in Eritrea is opgegroeid. Dat hij summiere kennis heeft van de redenen van vertrek van zijn ouders uit Eritrea, kan hem ook niet worden tegengeworpen. Het is algemeen bekend dat er sprake was van een oorlog tussen Ethiopië en Eritrea destijds. Eiser heeft ook toegelicht dat zijn ouders niet teruggingen naar Eritrea, omdat zij niet wilden dat hij in militaire dienst moest. Dat zijn ouders inmiddels wel zijn teruggekeerd naar Eritrea komt omdat eiser is vertrokken.
Het standpunt van de minister dat eiser de vraag over dagelijkse gebruiken niet zou hebben begrepen, gaat ook niet op. Eiser heeft immers antwoord gegeven op die vraag. Het is onduidelijk wat er op dit punt nog meer wordt verwacht van eiser. Dit wordt door de minister ook niet nader gemotiveerd. Ook is het onduidelijk wat er nog meer wordt verwacht van eiser als het gaat om zijn verklaring over het moeilijke leven in Eritrea. Eiser heeft verklaard dat hij van zijn ouders heeft gehoord hoe moeilijk het leven daar is, omdat hij zelf niet in Eritrea is opgegroeid. Eiser stelt verder dat hij geen enkel motief heeft om onjuist te verklaren over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, omdat er in Soedan ook een oorlog gaande is. Daar komt bij dat eiser in beroep een originele geboorteakte heeft overgelegd, waarvan niet bij eiser bekend is of het om een vals document gaat. Hij heeft dit document namelijk te goeder trouw verkregen. Eiser heeft ook een beroep gedaan op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg6, van 30 april 2026. Tijdens de zitting is namens eiser toegelicht dat hiermee een beroep wordt gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In die uitspraak was namelijk ook sprake van een vals bevonden geboorteakte bij een vreemdeling met de Soedanese nationaliteit, maar desondanks werd een asielvergunning afgegeven. De identiteit, nationaliteit en herkomst is dan ook onterecht ongeloofwaardig geacht en het terugkeerbesluit is onterecht opgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig heeft bevonden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
De minister heeft mogen betrekken dat de stam waartoe eiser behoort, namelijk de Beni Amer stam, zowel in Eritrea als in Soedan voorkomt. Daarnaast spreekt eiser zowel Tigré als Arabisch. Beide talen worden niet alleen in Eritrea gesproken. De minister heeft daarvoor verder van belang kunnen vinden dat eiser weinig weet te vertellen over de redenen van vertrek van zijn ouders uit Eritrea. De minister heeft namelijk van belang mogen vinden dat alhoewel eiser slechts twee jaar oud was toen hij met zijn ouders is vertrokken uit Eritrea, van hem wel kan worden verwacht dat hij meer weet te vertellen. Omdat eiser met zijn ouders in Soedan verbleef mocht de minister verwachten dat hij met zijn ouders heeft gesproken over de situatie. Daarbij is ook van belang dat eiser al een aantal jaren volwassen was voordat hij naar Nederland vertrok.
Ook heeft de minister er terecht op gewezen dat de geboorteakte niet de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser onderbouwt, aangezien deze vals is bevonden. En dit brengt met zich dat ook het identiteitsbewijs van de gestelde moeder van eiser niet kan aantonen dat hij haar zoon is. Er was daarom voor de minister ook geen aanleiding de identiteitskaart nog te laten onderzoeken. De stelling van eiser dat hij in bewijsnood verkeerde omdat hij buiten Eritrea is opgegroeid, volgt de rechtbank niet. Eiser is namelijk kennelijk wel in staat geweest om een geboorteakte te overleggen en daarom valt niet in te
[afbeelding niet beschikbaar]6 Geregistreerd onder zaaknummer NL25.26324.
zien dat hij niet in staat is om originele documenten omtrent zijn identiteit te vergaren.
Voor zover eiser zich beroept op het gelijkheidsbeginsel, op grond van de, onder 5 genoemde, uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, is de rechtbank van oordeel dat ook dit niet kan worden gevolgd. Daarvoor is van belang dat de minister op zitting heeft toegelicht dat uit die uitspraak blijkt dat de vreemdeling de stukken tijdens de besluitvorming had overgelegd en deze vervolgens vals waren bevonden. De vreemdeling voerde daarbij aan dat er was geprobeerd om zijn identiteit aan te tonen, maar dat hij door de vals bevonden documenten in een slechtere positie was gekomen dan vreemdelingen die helemaal niks inbrengen. Maar in die zaak werd de vreemdeling tegengeworpen dat hij de minister had misleid over zijn identiteit en is de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van het toenmalige artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. In de zaak van eiser is daar geen sprake van. Dat eiser in een slechtere positie is gekomen dan vreemdelingen die helemaal niks inbrengen, wordt dan ook niet gevolgd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
De beroepsgronden slagen niet.
Is terugkeer van eiser in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
Wat is het betoog van eiser?
6. Tijdens de zitting op 12 mei 2026 is namens eiser gesteld dat de minister niet voorbij kan gaan aan de oorlogssituatie in Soedan. In [plaats], waar eiser heeft gewoond, geldt een lage gradatie van willekeurig geweld. Daar komt bij dat eiser behoort tot de Tigré bevolkingsroep en dat is een hele kleine bevolkingsgroep. Dit is een individueel punt waardoor eiser het risico loopt op ernstige schade.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De rechtbank verwijst allereerst naar rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.3 van deze uitspraak waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat ongeloofwaardig is dat eiser uit Eritrea komt. De beroepsgronden die op terugkeer naar Eritrea zien, kunnen dan ook geen doel treffen en zal de rechtbank niet verder bespreken.
De minister neemt vooralsnog aan dat eiser uit Soedan komt. De minister heeft in het bestreden besluit aangegeven dat eiser afkomstig is uit [plaats] en dat daar geen sprake is van een zogenoemde 15c-situatie. Daar zijn door eiser geen gronden tegen aangevoerd. De rechtbank heeft echter voorafgaand aan de tweede zitting partijen gewezen op de veranderende situatie in Soedan. Uit het algemeen ambtsbericht Soedan van 1 december 2025 en de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 2 maart 2026 blijkt dat er wel sprake is van een zogenoemde 15c-situatie, maar dat dit in [plaats] de laagste gradatie van willekeurig geweld betreft. Eiser heeft de mate van willekeurig geweld niet betwist. Het is bij de laagste gradatie van willekeurig geweld aan eiser om individuele omstandigheden naar voren te brengen waaruit blijkt dat hij een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt in [plaats] of op een andere wijze een risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. In aanloop naar de tweede zitting heeft eiser geen individuele omstandigheden naar voren gebracht. Met de enkele stelling op zitting, dat eiser behoort tot de Tigré bevolkingsgroep en dat dit een kleine bevolkingsgroep is in Soedan, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld in [plaats].
Ook is gesteld noch is de rechtbank gebleken dat eiser op een andere wijze risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Soedan. Terugkeer van eiser is daarom niet in strijd met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.