Vreemdelingenrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op…

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.28807
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21792
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28807


uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. C. Arslaner),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

2. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Turkse nationaliteit. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Vervolgens heeft verzoeker bezwaar ingediend omdat verweerder niet tijdig op zijn bezwaar zou hebben beslist. Verzoeker heeft hangende dit bezwaar een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, omdat verweerder nog niet heeft beslist op deze aanvraag en de beslistermijn is overschreden. Hierbij heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om verweerder op te dragen alsnog onverwijld een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoeker.

3. Op 26 mei 2026 heeft de voorzieningenrechter de gemachtigde van verzoeker gevraagd om te laten weten of het de bedoeling was om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, omdat het verzoekschrift suggereert dat het de bedoeling was om een beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag in te dienen. Per brief van 2 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoeker laten weten inderdaad een verzoek om een voorlopige voorziening te hebben ingediend in het kader van de bezwaarprocedure wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag van verzoeker.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

4. De voorzieningenrechter overweegt dat het rechtsmiddel dat verzoeker dient aan te wenden is het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Verzoeker kan de rechtbank dan vragen om verweerder op te dragen om te beslissen op de aanvraag. Dit is een snelle procedure. Om die reden ziet de voorzieningenrechter alle belangen afwegend geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen en wijst deze af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Op grond van artikel 6:12 van de Awb.