Vreemdelingenrecht
Toegangsweigering – grensdetentie – artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw – lichter middel – voortvarend…
Rechtbank Den Haag, 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21813 · Rechtbank Den Haag · 5 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21813
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.41682 en NL26.41684
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21813
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Toegangsweigering – grensdetentie – artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw – lichter middel – voortvarend handelen – omzetting maatregel – ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.41682 en NL26.41684
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Verweerder heeft bij besluit van 23 juli 2026 (bestreden besluit 1) aan eiseres op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) aan eiseres op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. Eiseres heeft op 24 juli 2026 en 28 juli 2026 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft hier op 3 augustus 2026 op gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 4 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
De feiten
-
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Colombiaanse nationaliteit.
-
Eiseres is op 21 juli 2026 aangekomen op Schiphol en heeft daar te kennen gegeven dat zij een asielaanvraag wenst in te dienen. Eiseres heeft vervolgens op 22 juli 2026 per mail kenbaar gemaakt dat zij haar asielaanvraag wenst in te trekken. Verweerder heeft naar aanleiding van deze intrekking op 23 juli 2026 de aan eiseres opgelegde vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw ingetrokken en aan eiseres de bestreden besluiten opgelegd.
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)
3. Verweerder heeft eiseres de toegang geweigerd omdat eiseres:
- niet in het bezit is van een geldig visum of een geldige verblijfsvergunning;
- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
4. Eiseres heeft de gronden voor het weigeren van de toegang niet betwist. De rechtbank ziet ook zelf geen aanleiding om de toegangsweigering onrechtmatig te achten.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel van 23 juli 2026)
5. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
6. Omdat de bewaring met het vertrek van eiseres per vlucht naar Colombia op 3 augustus 2026 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Beroep op de uitspraak van 17 juni 2026
7. Eiseres voert in beroep het volgende aan onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. Verweerder trekt ten onrechte een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe bij het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft voor mensen die aan de buitengrens hun asielwens kenbaar maken. Verweerder legt een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang en het opleggen van grensdetentie. Verder sluit verweerder ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit en betrekt hij ten onrechte standaard niet alle mogelijke relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen.
8. De rechtbank volgt het beroep van eiseres op de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam niet. Verweerder heeft in reactie op het beroepschrift meegedeeld dat hij tegen deze uitspraak in hoger beroep is gegaan. Zoals verweerder opmerkt, rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. Door eiseres wordt niet betwist dat zij niet voldoet aan alle voorwaarden voor het verlenen van toegang tot het grondgebied. Het grensbewakingsbelang is in dit geval aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied van een vreemdeling die niet aan alle toegangsvoorwaarden voldoet. De bewaring is in overeenstemming met artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn.
Omzetting van de maatregel
9. Eiseres stelt verder dat zij haar asielaanvraag op 22 juli 2026 om 11:44 uur per mail heeft ingetrokken en verweerder pas op 23 juli 2026 op een onbekend tijdstip de maatregel heeft omgezet. Omdat het tijdstip van omzetting niet is vermeld, is dit waarschijnlijk pas 24 uur na de intrekking van haar asielaanvraag gebeurd. Dit is onredelijk lang.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich - in het verweerschrift - voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de uitgestelde grensweigering tijdig is omgezet naar een definitieve grensweigering. Hiervoor verwijst verweerder naar de digitale ondertekening van de M17A van 23 juli 2026, waaruit volgt dat de grensweigering op grond van artikel 14 van de Schengengrenscode om 10:27 uur is ondertekend. Gelet op het feit dat eiseres haar asielverzoek op 22 juli 2026 om 11:44 uur heeft ingetrokken, constateert de rechtbank dat de definitieve grensweigering binnen 24 uur na de intrekking van het asielverzoek is opgelegd.
Voortvarend handelen
11. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende voortvarend gewerkt aan haar vertrek naar Colombia. Na actie van de gemachtigde is op 24 juli 2026 gebleken dat verweerder heeft verzuimd het verzoek van eiseres - om zo snel mogelijk op basis van de removal order te worden uitgezet - door te zetten naar DT&V. Hierdoor is in ieder geval tot de middag geen actie ondernomen. Daarbij heeft de uitreis van eiseres bijna twee weken na de intrekking van haar asielaanvraag plaatsgevonden, wat eveneens duidt op onvoldoende voortvarendheid.
12. De voortvarendheid van het handelen van verweerder dient naar het oordeel van de rechtbank in zijn geheel te worden beoordeeld. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt het volgende. Verweerder heeft na de intrekking van het asielverzoek van eiseres op 22 juli 2026, op 24 juli 2026 het overdrachtsdossier opgemaakt en verzonden aan DT&V. Op 27 juli 2026 is een formele claim op de aanvoerende luchtvaartmaatschappij gelegd om de removal order te effectueren. Uit het verzoek om effectuering volgt dat wordt verzocht om minimaal drie dagen tussen het akkoord en de vluchtdatum te laten. Op 28 juli 2026 zijn de vluchtgegevens van eiseres kenbaar gemaakt en zij is op 3 augustus 2026 vertrokken naar Colombia. Gelet op de door verweerder uiteengezette uitzettingshandelingen, volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan haar vertrek naar Colombia. De rechtbank is van oordeel dat verweerder na intrekking van de asielaanvraag enige tijd geboden dient te worden om eiseres naar Colombia over te dragen. Dat op 24 juli 2026 het verzoek van eiseres om op basis van de removal order te worden uitgezet nog niet aan DT&V was verstuurd doet hieraan geen afbreuk. De rechtbank acht een periode van twee dagen tussen de intrekking van de asielaanvraag van eiseres per mail en het opstellen en versturen van het overdrachtsdossier van eiseres aan DT&V niet onredelijk lang. Hoewel het uitgangspunt is dat de grensdetentie zo kort mogelijk mag duren, acht de rechtbank ook een termijn van twee weken vanaf de intrekking van de asielaanvraag en het vertrek van eiseres naar Colombia niet onredelijk lang.
Lichter middel
12. Verder voert eiseres aan dat verweerder voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel. Eiseres is potentieel slachtoffer van mensenhandel en verweerder heeft deze omstandigheden niet betrokken bij de beoordeling. Eiseres dacht door een man uit Duitsland te zijn uitgenodigd om hem te bezoeken en samen hun (vriendschappelijke) relatie verder uit te bouwen. Bij de controle op de luchthaven op Schiphol kreeg zij te horen dat deze man niet zo jong was als hij stelde te zijn en dat hij meerdere criminele antecedenten op zijn naam had staan. Eiseres stelt te zijn voorgelogen en dat deze man mogelijk andere plannen met haar had dan waarvoor zij naar Nederland is gekomen. Nader onderzoek van verweerder had tot andere keuzes en omstandigheden kunnen leiden nu eiseres na op de eerste dag te zijn geïnformeerd haar asielaanvraag heeft ingetrokken.
12. Ondanks de vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, dient verweerder steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan, ook indien daarmee het grensbewakingsbelang prijs wordt gegeven. Uit de maatregel blijkt dat verweerder die beoordeling heeft verricht. Daarbij volgt uit het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken en dat zij heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel. Tijdens het gehoor alvorens de oplegging van deze maatregel is gevraagd of eiseres - buiten de door haar in de eerder opgelegde maatregel van bewaring genoemde feiten en omstandigheden - feiten en omstandigheden wenst aan te voeren waarmee rekening dient te worden gehouden bij het opleggen van de bestreden besluiten. Eiseres heeft te kennen gegeven dat dit niet het geval is en zij zo snel mogelijk wenst terug te keren naar Colombia. Verder heeft verweerder zich in beroep voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat wat eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding biedt om te spreken van mogelijke mensenhandel. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiseres zelfstandig naar Nederland is gereisd, de betreffende Duitse man niet op Schiphol aanwezig was en dat geenszins blijkt dat eiseres aan deze man een wederdienst heeft moeten verlenen. Gelet op het bovenstaande volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat verweerder heeft moeten volstaan met een lichter middel.
Over beide beroepen
15. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.