Vreemdelingenrecht

Dublin, Duitsland, opvolgende asielaanvraag, n-o.

Rechtbank Den Haag, 30 juni 2026

Zaakgegevens

Op 30 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
30 juni 2026
Datum publicatie
5 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.26610
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21831
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, Duitsland, opvolgende asielaanvraag, n-o.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.26610


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen


[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F.E.J. Evers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de (opvolgende) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

1.3.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [datum] .

2.1.

Eiser heeft op 9 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. Nederland heeft de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18 van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 24 februari 2026 geaccepteerd. Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan en heeft de rechtbank ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2.2.

Bij het bestreden besluit van 17 maart 2026 heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd tot een jaar. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser gevangen is gezet. Eiser is ook tegen dit besluit in beroep gegaan.

2.3.

Nadat eiser in vrijheid is gesteld, heeft hij zich bij de COA-opvang in Ter Apel gemeld voor opvang. Daar is hem op 30 maart 2026 gevraagd om een nieuw aanvraagformulier model M35-O te ondertekenen. Met dit formulier heeft eiser opnieuw een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2.4.

De minister heeft de (opvolgende) aanvraag met het bestreden besluit van 11 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Dit besluit omvat net als het besluit van 16 maart 2026 een overdrachtsbesluit.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

De beroepsgronden en de beoordeling daarvan door de rechtbank

4. Eiser betoogt dat het niet zijn bedoeling was om een opvolgende asielaanvraag in te dienen. Hij wilde slechts aanspraak maken op opvang. De minister heeft zijn melding in Ter Apel dus onterecht aangemerkt als een opvolgende asielaanvraag. Daarnaast heeft de minister een nieuw overdrachtsbesluit genomen. Eiser stelt dat dit besluit moet worden vernietigd, omdat de minister op 16 maart 2026 al een overdrachtsbesluit heeft genomen. Op zitting heeft eiser aanvullend aangevoerd dat zijn belang bij deze procedure vooral is gelegen in het voorkomen dat dit (tweede) overdrachtsbesluit in rechte komt vast te staan. Eiser wijst erop dat de voorlopige voorziening in de eerste procedure uitsluitend betrekking heeft op het eerste overdrachtsbesluit. Volgens eiser bestaat het risico dat, wanneer het eerste besluit vernietigd wordt, de minister zich vervolgens op het standpunt kan stellen dat eisers overdracht aan Duitsland alsnog mogelijk is op grond van het tweede overdrachtsbesluit.

Heeft eiser nog procesbelang

5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is van belang, omdat de minister al op 16 maart 2026 een besluit heeft genomen over de asielaanvraag van eiser. In dat besluit heeft de minister vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming en heeft hij gelijktijdig een overdrachtsbesluit genomen. Eiser is tegen dat besluit in beroep gegaan en heeft de rechtbank tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daarmee staat vast dat de minister Duitsland terecht verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van het asielverzoek en dat het overdrachtsbesluit in dat besluit in stand blijft.

5.1.

In deze zaak staat het besluit van 11 mei 2026 centraal. Tijdens de zitting heeft de minister betoogd dat de overdracht van eiser aan Duitsland gebaseerd is op het bestaande claimakkoord met Duitsland en het daarbij behorende overdrachtsbesluit. Volgens de minister vloeit uit het claimakkoord slechts één overdrachtsverplichting voort. Verder heeft de minister verklaard dat het in het bestreden besluit opgenomen overdrachtsbesluit geen nieuwe of aanvullende rechtsgevolgen heeft ten opzichte van het reeds bestaande overdrachtsbesluit.

5.2.

De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat het bestreden besluit naast het reeds bestaande overdrachtsbesluit geen zelfstandige gevolgen heeft voor de overdracht van eiser. De bevoegdheid om eiser over te dragen wordt namelijk volledig beheerst door het claimakkoord en het eerder genomen besluit. Om die reden ziet de rechtbank niet in welk concreet resultaat eiser met dit beroep nog kan bereiken. Zelfs als het bestreden besluit wordt vernietigd, verandert dat niets aan de uitkomst van de procedure tegen het eerdere overdrachtsbesluit. De rechtbank heeft daarbij ook meegewogen dat niet is gebleken dat de vernietiging van het bestreden besluit gevolgen zou hebben voor de overdrachtsbevoegdheid die voortvloeit uit het eerdere besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Met zaaknummer NL26.26611. Beide zaken zijn bij deze rechtbank en zittingsplaats in behandeling onder zaaknummers NL26.14735 en NL26.14736 en zijn gelijktijdig met deze zaak op zitting behandeld. Deze zaak is bij deze rechtbank en zittingsplaats in behandeling onder zaaknummer: NL26.15907 en is gelijktijdig met deze zaak op zitting behandeld. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Bij uitspraak van 30 juni 2026.