Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21913 · Rechtbank Den Haag · 5 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21913
Zaakgegevens
Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.38608
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21913
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
plakvovo
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38608
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 18 juni 2026 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 juli 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard.
Bij besluit van 3 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 18 juni 2026 vervangen, omdat volgens verweerder in het besluit van 18 juni 2026 per abuis is verwezen naar verouderde wet- en regelgeving.
Verzoeker heeft op 10 juli 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.38607, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.