Vreemdelingenrecht

Bewaring, grensdetentie na toegangsweigering.

Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.41731
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21951
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring, grensdetentie na toegangsweigering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41731


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: L. Ploeger).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het weigeren van de toegang van eiser tot Nederland (hierna: de toegangsweigering) en het aan hem opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel (hierna: de vrijheidsontneming). Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van deze besluiten en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. De toegangsweigering en de maatregel van vrijheidsontneming zijn op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 23 juli 2026 eiser de toegang tot Nederland geweigerd. Vervolgens heeft de minister diezelfde dag op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw eiser verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. De minister heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

2.1.

Het beroep tegen de vrijheidsontneming wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding en als beroep tegen het besluit tot weigering van toegang tot Nederland.

2.1.

De minister heeft de vrijheidsontneming op 24 juli 2026 opgeheven omdat, eiser is uitgezet.

2.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Omdat de vrijheidsontneming is opgeheven, beperkt de beoordeling van dat besluit zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank kan, als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

4. Eiser heeft geen beroepsgronden ingediend. De rechtbank ziet, voor zover zij daartoe gehouden is, ook ambtshalve geen aanleiding om die toegangsweigering of de vrijheidsontneming onrechtmatig te achten.

5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over de vrijheidsontneming gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over de toegangsweigering gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Op grond van artikel 6, eerste lid en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 14, jo. artikel 6, van de Schengengrenscode. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000.