Vreemdelingenrecht

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Rechtbank Den Haag, 21 mei 2026

Zaakgegevens

Op 21 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
21 mei 2026
Datum publicatie
6 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.26903
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21952
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vervolgberoep; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.26903

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. L.M. Weber),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: S.H.M. Maas).

Procesverloop

De minister heeft op 5 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop en op het door de minister ingediende verweerschrift gereageerd en aangegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2000.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 april 2026 (in de zaak NL26.19631) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten

grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. De rechtbank ziet, ambtshalve toetsend, geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister, blijkens de voortgangsrapportage van 13 mei 2026, regelmatig bij de Algerijnse autoriteiten rappelleert met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 23 april 2026. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder dat de Algerijnse autoriteiten eisers nationaliteit op 18 april 2026 hebben bevestigd. In beginsel werken de Algerijnse autoriteiten mee aan de verstrekking van een lp. Niet is gebleken dat het in het geval van eiser anders is.

5. Verder volgt uit de voortgangsrapportage dat de minister op 23 april 2026 en 8 mei 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Ook volgt uit de voortgangsgegevens dat er op 13 mei 2026 een presentatie heeft plaatsgevonden bij de

Algerijnse autoriteiten, maar zonder aanwezigheid van eiser. Uit de afstandsverklaring van 13 mei 2026 blijkt dat eiser heeft aangegeven geen zin te hebben om naar de presentatie te gaan en afstand heeft gedaan van de mogelijkheid om naar de presentatie te gaan. Ondanks het feit dat eiser heeft geweigerd om naar de presentatie te gaan, hebben de Algerijnse autoriteiten volgens de minister mondeling de afgifte van een lp toegezegd. De minister wacht nu op de schriftelijke bevestiging van de lp-afgifte, waarna een vlucht zal worden geboekt voor eiser.

6. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten en andere handelingen, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Hij moet ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verrichten om dergelijke gegevens te verkrijgen. Eiser heeft tijdens de vertrekgesprekken aangegeven dat hij wil meewerken aan zijn terugkeer en graag zo snel mogelijk wil terugkeren. De enkele stelling dat eiser wil meewerken aan zijn uitzetting, terwijl hij daarnaast niets onderneemt om zijn terugkeer te bespoedigen, is onvoldoende voor het oordeel dat eiser invulling heeft gegeven aan de medewerkingsplicht.

7. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije aanwezig is en dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Het voortduren van de maatregel is daarom niet onrechtmatig.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

21 mei 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.