Vreemdelingenrecht
vervolgberoep; artikel 59a, eerste lid, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Rechtbank Den Haag, 19 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21954 · Rechtbank Den Haag · 19 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-21954
Zaakgegevens
Op 19 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 19 juni 2026
- Datum publicatie
- 6 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.32519
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:21954
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
vervolgberoep; artikel 59a, eerste lid, van de Vw; ongegrond; verzoek schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32519
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres, (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. Hopman).
Procesverloop
De minister heeft op 18 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiseres stelt dat zij de Somalische nationaliteit heeft en dat zij is geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 juni 2026 (in de zaak NL26.27984) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het
voortduren van de maatregel van bewaring alleen de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiseres voert aan dat er geen zicht op overdracht is binnen een redelijke termijn. Uit de dossierstukken en de voortgangsrapportage blijkt geen concreet vooruitzicht op uitzetting en/of overdracht uit Nederland. De voorgenomen overdracht aan België was gepland op 26 mei 2026. De overdracht is geannuleerd nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 22 mei 2026 een voorlopige voorziening heeft getroffen inzake het hoger beroepschrift in de asielzaak van eiseres. Deze voorlopige voorziening is tot heden nog steeds geldig. Op het hoger beroepschrift is nog niet beslist. Dit betekent dat overdracht aan België vooralsnog verboden is, zodat concreet zicht op uitzetting ontbreekt. Evenmin heeft de minister een belangenafweging gemaakt waarin naar voren komt hoe lang de bewaring nog mag voortduren nu de overdracht vooralsnog verboden is. Ook heeft de minister geen inzicht gegeven of er aanleiding bestaat voor het toepassen van een lichter middel. Uit voorgaande blijkt dat de maatregel onrechtmatig is. De minister heeft voor het laatst op 21 mei 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. Hieruit blijkt ook dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiseres stelt dat er geen sprake meer is van evenredigheid en proportionaliteit nu zij al bijna vier weken in bewaring wordt gehouden terwijl er geen zicht is op een feitelijke overdracht.
5. In wat eiseres aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er zicht op overdracht ontbreekt binnen een redelijke termijn en dat er kan worden volstaan met een lichter middel. In wat eiseres aanvoert over het zicht op overdracht en het lichter middel verwijst de rechtbank ten eerste naar haar eerdere uitspraak van 3 juni 2026 (NL26.27984), rechtsoverweging 8, 9 en 10. De rechtbank stelt vast dat het claimakkoord dateert van 28 januari 2026 en dat de uiterste overdrachtsdatum zal verstrijken op 28 juli 2026 (artikel 29 Dublinverordening). Door een gerechtelijke procedure in Nederland, waarbij de voorlopige voorziening is toegewezen, heeft de geplande overdracht van
26 mei 2026 geen doorgang gevonden. De minister heeft de Belgische autoriteiten hiervan op de hoogte gesteld bij brief van 26 mei 2026. Daarbij heeft de minister aangegeven dat hij de Belgische autoriteiten zo spoedig mogelijk zal informeren over een nieuwe overdracht. Ondanks de toegewezen voorlopige voorziening op 22 mei 2026 is er verder geen aanleiding te oordelen dat er geen zicht bestaat op een (tijdige) overdracht van eiseres. De minister heeft bij brief van 16 juni 2026 de Afdeling te verzocht het hoger beroep zo spoedig mogelijk te behandelen waarbij wordt gewezen op de uiterste overdrachtsdatum en het feit dat eiseres in bewaring. Ook zal er op 18 juni 2026 opnieuw een vertrekgesprek met eiseres worden gevoerd. Hieruit blijkt dat de minister, voor zover op dit moment mogelijk, voortvarend werkt aan de overdracht van eiseres. Op grond van het gestelde in artikel 28, derde lid van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 duurt de bewaring van Dublinclaimanten zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres dan ook nog in bewaring kan worden gehouden met het oog op overdracht nu de uiterste overdrachtsdatum nog niet is verstreken en de bewaring niet onevenredig lang duurt. Mede gelet op de naderende uiterste overdrachtsdatum en het onttrekkingsrisico dat bij eiseres is aangenomen is er geen aanleiding om een lichter middel toe te passen. De maatregel van bewaring duurt rechtmatig voort. De beroepsgronden slagen niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 juni 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.