Vreemdelingenrecht

Vrijheidsbeperkende maatregel artikel 6 1e lid, administratief beroep tegen toegangsweigering, niet…

Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.41407
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22079
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vrijheidsbeperkende maatregel artikel 6 1e lid, administratief beroep tegen toegangsweigering, niet aannemelijk gemaakt dat maatregel niet mocht worden opgelegd, geen reden beroep aan te houden in afwachting uitkomst administratief beroep, rechtsbescherming gewaarborgd door mogelijk verzoek om herziening

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41407


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M. Weerman).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2026 is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd. Bij besluit van dezelfde datum (het bestreden besluit) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is via videoverbinding verschenen. Eisers gemachtigde is ter zitting verschenen. Eiser is verder bijgestaan door Z. Hanina als tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De zaak van eiser is gelijktijdig behandeld met het beroep van [de persoon]. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Omaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1990.

2. Omdat de vrijheidsbeperkende maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de

maatregel al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. Eiser heeft zich – kortgezegd – op het standpunt gesteld dat de vrijheidsbeperking volgend op de toegangsweigering, een rechtmatige grondslag ontbeert nu de toegangsweigering om verschillende redenen niet rechtmatig was. Eiser vraagt verder om aanhouding van het beroep tegen de vrijheidsbeperking totdat op het administratief beroep tegen de toegangsweigering is beslist.

4. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot toegangsweigering is uitgereikt, het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in onder meer artikel 6 van die wet geacht mede een beroep tegen het besluit tot toegangsweigering te omvatten.

5. Omdat in dit geval aan eiser geen vrijheidsontnemende, maar een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw is opgelegd, mist artikel 94, tweede lid, van de Vw toepassing en moet tegen het besluit tot toegangsweigering afzonderlijk administratief beroep bij verweerder worden ingesteld.

Dit heeft eiser gedaan.

6. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd ziet op de toegangsweigering. Nu nog niet is beslist op het administratief beroep tegen de toegangsweigering, dient de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel uit te gaan van de rechtskracht en dus de rechtmatigheid van de toegangsweigering. De rechtbank overweegt verder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan hem niet de maatregel van artikel 6, eerste lid, van de Vw, mocht worden opgelegd. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsbeperkende maatregel ten onrechte is opgelegd. Indien in de procedure in administratief beroep mocht worden geconcludeerd dat eiser ten onrechte de toegang is geweigerd, dan kan eiser in die procedure om schadevergoeding verzoeken of om herziening van deze uitspraak in het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel verzoeken.

7. De rechtbank overweegt nog dat uit artikel 69, derde lid, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 93 van de Vw in dit geval niet volgt dat het indienen van een beroep tegen een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 6, eerste lid, van de Vw niet aan enige termijn gebonden is. Hierin ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding om de beoordeling van het beroep aan te houden totdat op het administratief beroep beslist is. Met de mogelijkheid van herziening van deze uitspraak is eisers recht op rechtsbescherming immers alsnog voldoende gewaarborgd.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Geregistreerd onder zaaknummer NL26.41283.