Vreemdelingenrecht
Visumzaak, verzoek om een voorlopige voorziening, geen ernstige twijfel aan rechtmatigheid besluit, verzoek…
Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22085 · Rechtbank Den Haag · 6 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-22085
Zaakgegevens
Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.41035
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22085
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Visumzaak, verzoek om een voorlopige voorziening, geen ernstige twijfel aan rechtmatigheid besluit, verzoek afgewezen
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.41035
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1999, van Palestijnse nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. E.E.M. Bezem)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus)
Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een visum voor kort verblijf afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Het griffierecht
1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Verzoeker hoeft dus geen griffierecht te betalen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
Wat is aan deze procedure voorafgegaan?
2. Verzoeker heeft op 31 mei 2026 een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om vanaf 1 augustus tot en met 31 augustus 2026 een residentie als kunstenaar bij [locatie] te volgen.
De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Ook bestaat er een redelijke twijfel over het voornemen van verzoeker om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.
Het verzoek
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt te bepalen dat de minister zo snel mogelijk het gevraagde visum aan verzoeker dient te verstrekken. Verzoeker meent dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat de residentie vanaf 1 augustus 2026 start, de fysieke aanwezigheid van verzoeker vereist is en de residentie volgens [locatie] niet uitgesteld kan worden. Verzoeker stelt dat hij het doel en de omstandigheden van zijn verblijf wel degelijk heeft aangetoond. Het is immers duidelijk dat [locatie] hem heeft uitgenodigd voor een residentie en hem in logies voorziet. Wat betreft het tegengeworpen vestigingsgevaar meent verzoeker dat hij met de overgelegde stukken wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij economische en sociale binding met Oman – het land waar verzoeker verblijft – heeft.
Beoordeling
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventueel nog komende beroepsprocedure niet.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter neemt aan dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat de residentie waarvoor hij het visum heeft aangevraagd reeds is begonnen, door [locatie] is verklaard dat deze residentie niet uitgesteld kan worden en gelet op de wettelijke beslistermijn niet aannemelijk is dat de minister op (zeer) korte termijn op het bezwaar zal beslissen.
Geen sterke twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de gevraagde voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft en daarmee verstrekkend is. Toewijzing van dit verzoek zal er namelijk toe leiden dat verzoeker Nederland in kan reizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die verzoeker met zijn aanvraag beoogt, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van deze voorlopige voorziening zijn onomkeerbaar en dat betekent dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan daarom aanleiding bestaan om te bepalen dat de minister verzoeker tijdens de bezwaarprocedure in staat moet stellen om naar Nederland te reizen. Voor een dergelijke vergaande beslissing is in principe alleen plaats als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat het bestreden besluit niet op alle punten stand kan houden, twijfelt de voorzieningenrechter niet aan de rechtmatigheid van de afwijzing van de aanvraag. Reeds daarom bestaat er geen ruimte om het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
Ten aanzien van het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het doel van verzoeker is gelegen in het volgen van een residentie bij [locatie]. Verzoeker heeft namelijk ter onderbouwing brieven van [locatie] overgelegd (van 16 mei 2026 en 20 juli 2026) waaruit blijkt dat hij wordt uitgenodigd om als kunstenaar deze residentie te volgen. De minister heeft in het verweerschrift tegengeworpen dat verzoeker op geen enkele wijze zijn artistieke werk heeft onderbouwd, of aannemelijk heeft gemaakt dat hij moet worden gezien als schrijver. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verzoeker bij de aanvullende gronden van het verzoek screenshots van zijn Instagrampagina heeft overgelegd en daarnaast naar een internetpagina heeft verwezen waarop staat vermeld dat hij aan een film heeft meegewerkt. Hiermee heeft verzoeker, in samenhang bezien met de uitnodiging van [locatie], het doel van zijn voorgenomen verblijf voldoende aannemelijk gemaakt. De minister heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel terecht tegengeworpen dat uit de brieven van [locatie] niet blijkt waar verzoeker zal verblijven en dat dus de omstandigheden van het verblijf onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt. Uit deze brieven blijkt namelijk alleen dat [locatie] verzoeker van een plek zal voorzien waar hij kan werken en verblijven, maar er wordt niet geconcretiseerd welke plek dit is.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarnaast niet worden geconcludeerd dat de minister het bestaan van vestigingsgevaar ten onrechte heeft tegengeworpen. De minister heeft ten aanzien van de economische binding van verzoeker met Oman kunnen tegenwerpen dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid wat voor rol verzoeker heeft bij zijn bedrijf en waarom daaruit een (sterke) economische binding volgt. Verzoeker heeft verklaard dat hij een arbeidscontract heeft voor onbepaalde tijd bij zijn eigen onderneming, dat hij voor nu de enige werknemer van zijn bedrijf is en dat deze constructie gebruikelijk is in Oman. Hiermee heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet duidelijk gemaakt waarom hij economisch gebonden is aan Oman. De minister heeft verder tegen kunnen werpen dat vooralsnog evenmin is gebleken van een sterke sociale binding met Oman. Verzoeker is namelijk ongehuwd en uit de overgelegde stukken kan geen noemenswaardige sociale binding met Oman worden afgeleid. Ook uit de gestelde (niet-vertaalde) huurovereenkomst die verzoeker heeft overgelegd kan niet zonder meer een sterke sociale/economische binding worden afgeleid. De minister heeft tot slot in de omstandigheid dat aan verzoeker een visum voor Japan is verleend en de stelling dat [locatie] een betrouwbare zakelijke garantsteller is evenmin reden hoeven zien om toch tot visumverlening over te gaan.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.