Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 5 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
AWB 25 4023
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22101
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/4023 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant

V-nummer: [V-nummer],

tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 in het geding tussen

opposant

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

In de uitspraak van 21 mei 2026, verzonden op 22 mei 2026, met kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2026:13742 heeft de rechtbank het beroep van opposant kennelijk ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden.

Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.

De rechtbank heeft een zitting gepland op 21 oktober 2026. Opposant heeft zich afgemeld voor deze zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. De bestuursrechter moet ook in verzetsprocedures ambtshalve, dat wil zeggen uit eigen beweging, beoordelen of er sprake is van een procesbelang. Dat is het geval als de indiener met het voeren van de procedure in een gunstiger positie zou kunnen geraken.

2. De indiening van een verzetschrift is naar zijn aard gericht op het vervallen verklaren van de aangevallen uitspraak om een nieuw oordeel te verkrijgen over het beroep. Het beroep had betrekking op het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van opposant. Uit het schrijven van opposant aan de rechtbank van 29 juli 2026 blijkt dat hij zich op dit moment in Duitsland in een asielprocedure bevindt.

3. Hieruit moet naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat opposant niet langer prijs stelt op bescherming in Nederland. Er is daarom geen sprake meer van een procesbelang bij deze verzetsprocedure. Gelet hierop is een zitting niet langer nodig.

4. Het verzet is niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

De rechter is verhinderd om deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.