Vreemdelingenrecht

Dublin – Zwitserland – AMvB – overgangsrecht - ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.38305
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22105
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin – Zwitserland – AMvB – overgangsrecht - ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.38305


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dit besluit is tevens een overdrachtsbesluit.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 6 mei 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en aan eiser meegedeeld dat hij zal worden overgedragen aan Zwitserland. De Zwitserse autoriteiten hebben de daartoe door Nederland verzonden kennisgeving op 23 juni 2026 bevestigd.

3. Volgens eiser is het bestreden besluit ten onrechte genomen voordat hij hierover heeft kunnen spreken met zijn gemachtigde. Eiser is daardoor niet staat gesteld om vooraf zijn bezwaren tegen overdacht aan Zwitserland kenbaar te maken. Eiser stelt verder dat hij voorafgaand aan zijn komst naar Nederland in Zwitserland verbleef en daar is gedwongen een asielaanvraag in te dienen, omdat hij anders teruggestuurd zou worden naar Marokko. De Zwitserse autoriteiten hebben de asielaanvraag afgewezen. Eiser vreest in geval van overdracht aan Zwitserland zonder verdere inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag te worden uitgezet naar Marokko, waar hij stelt te vrezen voor zijn leven.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Per 12 juni 2026 zijn de Asielprocedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening (Ambv) in werking getreden. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, zoals die bepaling sindsdien luidt, neemt verweerder een asielaanvraag overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening niet in behandeling wanneer op grond van de Ambv is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Hoewel Zwitserland geen lidstaat van de Europese Unie is, voert zij de Europese criteria en mechanismen voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor een asielaanvraag wel mede uit.

5. Artikel 21 van de Ambv kent het recht om op doelmatige wijze volgens het nationale recht gedurende de gehele procedure een juridisch adviseur te raadplegen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit recht in zijn geval is geschonden. Eiser en zijn gemachtigde zijn op 23 juni 2026 op de hoogte gesteld van de toevoeging. Eiser heeft daarbij ook de contactgegevens ontvangen van zijn gemachtigde. Eiser heeft niet toegelicht waarom zijn gemachtigde er eerst na het nemen van het besluit in is geslaagd hem te spreken. Uit artikel 21 van de Ambv volgt geen verplichting voor verweerder om de besluitvorming aan te houden totdat daadwerkelijk contact tussen de vreemdeling en zijn gemachtigde heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Eiser heeft de verantwoordelijkheid van Zwitserland voor de behandeling van de asielaanvraag niet betwist. Voor zover eiser in de grond van beroep heeft willen stellen dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico zal lopen op een schending van zijn grondrechten en daarmee van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. De enkele gestelde omstandigheid dat eisers eerdere asielaanvraag in Zwitserland is afgewezen is hiervoor onvoldoende. Niet aannemelijk is geworden dat de Zwitserland zijn internationale verplichtingen jegens eiser, waaronder het non-refoulementbeginsel, niet zal nakomen.

7. Voor zover eiser wenst dat Nederland desondanks overgaat tot een inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag, kan dat gelet op het bepaalde in artikel 43, eerste lid, van de Ambv niet leiden tot een geslaagd beroep. Dit argument valt namelijk niet binnen de draagwijdte van het rechtsmiddel van beroep zoals dat in dit artikel is vastgelegd.

8. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin

u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit

verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet

deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,

kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verordening (EU) 2024/1348. Verordening (EU) 2024/1351. Op grond van de overeenkomst van 26 oktober 2004 (goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie in het besluit van 28 januari 2008, 2008/147/EG). Zie artikel 16 van de Ambv.