Vreemdelingenrecht

Volgens verweerder was de maatregel prematuur. Verweerder heeft zich in de brief primair op het standpunt…

Rechtbank Den Haag, 21 juli 2026

Zaakgegevens

Op 21 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
21 juli 2026
Datum publicatie
7 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.38694
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22111
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Volgens verweerder was de maatregel prematuur. Verweerder heeft zich in de brief primair op het standpunt gesteld dat de kennisgeving onterecht is verstuurd en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, en subsidiair dat er geen procesbelang is omdat de maatregel niet is geëffectueerd. Ter zitting heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd waarom de maatregel niet is ingetrokken. Aangezien de maatregel nog niet is geëffectueerd, is daar namelijk geen enkel bezwaar tegen. Verweerder heeft de maatregel toen alsnog ingetrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.38694


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. A. Agayev)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Jurriaans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Omdat verweerder de maatregel ter zitting heeft ingetrokken, komt de rechtbank echter niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden. De rechtbank beoordeelt wel de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat verweerder de maatregel van vreemdelingenbewaring ter zitting heeft ingetrokken. Er is geen aanleiding tot het toekennen van een schadevergoeding, omdat de maatregel nog niet is geëffectueerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd die van kracht zal worden per 2 augustus 2026 en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep

3. Verweerder heeft op 15 juli 2026 per brief medegedeeld dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onterecht was opgelegd. De maatregel zou pas worden geëffectueerd op het moment dat de strafrechtelijke detentie waar eiser zich sinds 6 mei 2026 in bevindt eindigt, op 2 augustus om 8:00 uur. Volgens verweerder was de maatregel daarom prematuur. Verweerder heeft zich in de brief primair op het standpunt gesteld dat de kennisgeving onterecht is verstuurd en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, en subsidiair dat er geen procesbelang is omdat de maatregel niet is geëffectueerd.

3.1.

Ter zitting heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd waarom de maatregel niet is ingetrokken. Aangezien de maatregel nog niet is geëffectueerd, is daar namelijk geen enkel bezwaar tegen. Verweerder heeft de maatregel toen alsnog ingetrokken.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat, omdat de maatregel van vreemdelingenbewaring al is ingetrokken voordat hij is ingegaan, eiser geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, aangezien eiser niet feitelijk in vreemdelingenbewaring heeft verbleven.

5. Niet in geschil is dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is opgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt omdat de gemachtigde van eiser wordt geacht beroep te hebben ingesteld met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.