Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
N25.56507 en NL25.56509
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22368
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

AA, beroepen ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.56507 en NL25.56509


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer 1] , eiser

[eiseres] , V-nummer: [nummer 2] , eiseres

samen: eisers

(gemachtigde: mr. N. van Bremen),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. C. van Es).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de beroepen mede aan de hand van de beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eisers hebben op 25 juni 2024 en 2 oktober 2024 herhaalde aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Bij afzonderlijke besluiten van 13 november 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen in de algemene procedure afgewezen als niet-ontvankelijk.

Eisers hebben op 18 november 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De rechtbank heeft de beroepen op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de waarnemend gemachtigde van eisers, mr. I. Semlali, en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Eiser is geboren op 1 augustus 1988 en eiseres is geboren op 15 november 1988. Zij hebben beiden de Egyptische nationaliteit. Eiseres heeft haar asielaanvraag mede ingediend namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021.

1.2.

Bij besluiten van 8 december 2017 heeft verweerder de eerste asielaanvragen van eisers in de verlengde asielprocedure ongegrond verklaard. Het beroep tegen deze besluiten is bij uitspraak van 29 maart 2018 door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, afgewezen als ongegrond (NL18.289 en NL18.290). Bij besluiten van 13 mei 2019 heeft verweerder de tweede asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen deze besluiten is bij uitspraak van 2 juli 2019 door deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, afgewezen als ongegrond (NL19.11658 en NL19.11660). Bij besluiten van 6 februari 2023 heeft verweerder de herhaalde asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen deze besluiten is bij uitspraak van 2 mei 2023 door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard (NL23.4090 en NL23.4093). Ook het hoger beroep van eisers is op 26 mei 2023 ongegrond verklaard. Al deze besluiten zijn onherroepelijk geworden.

1.3.

Eisers hebben aan de herhaalde asielaanvragen van 24 juni 2024 en 2 oktober 2024 het volgende ten grondslag gelegd. Eisers betogen allereerst dat hun dochter in Egypte slachtoffer zal worden van genitale mutilatie. Zij overleggen hierbij een rapport en kopieën van documenten van het asieldossier van de broer van eiser en zijn gezin, waaruit blijkt dat hen in de Verenigde Staten asiel is verleend en een verklaring van de schoonzus van eisers. Ten slotte vrezen eisers in Egypte vanwege hun religie. Ter onderbouwing hiervan hebben zij rapporten ingediend en (onvertaalde) nieuwsberichten.

Bestreden besluiten

2. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten op het standpunt dat geen sprake is van relevante nieuwe elementen of bevindingen. Ten aanzien van de vrees van eisers voor de besnijdenis van hun dochter is in de uitspraak van 2 mei 2023 (NL23.4090 en NL23.4093) geoordeeld dat niet is gebleken dat eisers geen weerstand tegen de familie kunnen bieden of zich niet ergens anders in Egypte kunnen vestigen. Het rapport waar eisers naar verwijzen bevat algemene informatie die in de vorige procedure ook al bekend was en bevat geen informatie over de persoonlijke situatie van eisers. Uit de stukken van de broer van eiser blijkt niet op welke gronden een asielvergunning aan hen is verleend. Ten aanzien van de vrees vanwege de religie is in een eerdere procedure (zie de uitspraak van 29 maart 2018, NL18.289 en NL18.290) ook al geoordeeld dat het niet zo is dat Kopten zonder meer te vrezen hebben en dat ze zich ergens anders in Egypte kunnen vestigen. De door eisers overgelegde artikelen in deze zaak zien niet op de persoonlijke situatie van eisers en uit deze stukken blijkt geen wezenlijk ander beeld ten aanzien van de situatie voor Kopten in Egypte dan in de vorige asielprocedures naar voren is gekomen.

2.1.

Eisers hebben op 8 december 2017 al een terugkeerbesluit gekregen en zijn niet teruggekeerd. Zij moeten Nederland nu onmiddellijk verlaten. Ook hebben eisers op 13 mei 2019 een inreisverbod van 2 jaar gekregen, deze is nog steeds geldig. Deze periode start zodra eisers Europa verlaten.

Beroepsgronden

3. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft vastgesteld. Verweerder heeft de stukken van de schoonzus van eiser niet meegewogen in het besluit. Ze beschrijft in haar verklaring dat ze zelf slachtoffer is geworden van vrouwenbesnijdenis en haar relaas is de reden dat haar asiel in de Verenigde Staten is verleend. Het gezin van de boer van eiser heeft asiel gekregen in Amerika vanwege de situatie van de Kopten in Egypte. Dit is door eisers onderbouwd met de zienswijze. Uit de nieuwsberichten en stukken blijkt dat de situatie voor Kopten niet beter is geworden. Ook hadden eisers moeten worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

4. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder terecht dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvragen van eisers. De rechtbank licht dit hierna toe.

Besnijdenis dochter

5. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten terecht op het standpunt dat de vrees van eisers voor de besnijdenis van hun dochter al is beoordeeld in de uitspraak van 2 mei 2023 (NL23.4090 en NL23.4093) en dat de informatie in het rapport waarnaar eisers verwijzen ten tijde van die procedure ook al bekend was. Het stuk van de Egyptische organisatie voor mensenrechten ‘a report on female genital mutilation’ en het stuk van Ahramonline van 6 juli 2025, ‘Egypt’s action aganst FGM’, die door eisers naar voren zijn gebracht bevatten algemene informatie en geen persoonlijke informatie ten aanzien van eisers. Eisers hebben in dit kader ook verwezen naar het asielrelaas van de schoonzus in de Verenigde Staten. Verweerder stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat hieraan niet de waarde gehecht kan worden die eisers zouden willen. Uit het relaas blijkt alleen wat zij heeft verklaard over haar eigen ervaringen. Dat vrouwenbesnijdenis in Egypte veel voorkomt, wordt door verweerder erkend. De vrees voor de besnijdenis van hun dochter is in het concrete geval van eisers echter al beoordeeld. Eisers hebben in dit kader dus geen nieuwe elementen of bevindingen aangedragen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van hun asielaanvragen.

Koptisch christendom

6. Verweerder stelt ook terecht dat de vrees van eisers vanwege hun geloof ook in een eerdere procedure (zie de uitspraak van 29 maart 2018, NL18.289 en NL18.290) is beoordeeld. Eisers hebben artikelen overgelegd die niet zien op hun persoonlijke situatie en uit deze stukken blijkt geen wezenlijk ander beeld ten aanzien van de situatie voor in Egypte dan in de vorige asielprocedures naar voren is gekomen. De nieuwsberichten van persecution.org, het landenrapport van Egypte van februari 2025, het artikel van USCIRF en het artikel van Open Doors International van januari 2025, ‘Egypt: Persecution Dynamics’, schetsen ten aanzien van de situatie voor Kopten in Egypte geen ander beeld dan de informatie die in de vorige procedures al naar voren is gebracht. Uit pagina 6 van het landenrapport blijkt dat sommige omstandigheden zijn verbeterd en uit het landenrapport komt eenzelfde beeld naar voren als uit de stukken die in de eerdere procedures zijn overgelegd. Eisers hebben ook tijdens de zitting niet kunnen verwijzen naar specifieke paragrafen waaruit een concrete verslechtering volgt.

7. Verder verwijzen eisers naar de Amerikaanse asielbeslissingen/asielrelazen van de familie van eisers. Op de zitting heeft de rechtbank met partijen vastgesteld deze niet in het (rechtbank)dossier zitten. De rechtbank beschikt alleen over het relaas van de schoonzus. Verweerder heeft echter zich naar het oordeel van de rechtbank echter terecht op het standpunt gesteld dat, ook als wel vast zou staan dat de familie van eisers in Amerika asiel hebben gekregen vanwege het zijn van Koptisch christen, dit onvoldoende is voor het oordeel dat dit relevant kan zijn voor de beoordeling van de asielaanvragen van eisers. Verweerder is niet gebonden aan de afwegingen die in de Verenigde Staten worden gemaakt. Verweerder maakt een zelfstandige en onafhankelijke afweging op grond van de eigen wettelijke kaders en omstandigheden.

Horen van eisers

8. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij eisers niet heeft hoeven horen naar aanleiding van wat eisers naar voren hebben gebracht. Eisers voeren ter zitting aan dat juist door hen te horen, dingen overtuigend bewezen kunnen worden. Zij kunnen ook mogelijk nog nieuwe documenten indienen om hun asielrelaas te onderbouwen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het is de rechtbank niet duidelijk wat het horen van eisers toe zou voegen en eisers hebben de mogelijkheid gehad om hun standpunten tijdens de beroepsprocedure nader te onderbouwen. Eisers hebben dit niet gedaan en tijdens de zitting is ook niet duidelijk geworden wat zij nog precies willen toevoegen. Verweerder had genoeg kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen om een besluit te kunnen nemen, zodat hij het horen van eisers achterwege mocht laten op grond van artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dommerholt, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.