Vreemdelingenrecht

Bewaring – bz - artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet – geen gronden – ongegrond – geen pkv

Rechtbank Den Haag, 11 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.44859
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22474
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring – bz - artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet – geen gronden – ongegrond – geen pkv

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44859


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling van de zaak. Op 11 augustus 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiser is geboren op [datum] 1996 en heeft de Russische nationaliteit.

  2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

  3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

  4. De gemachtigde van eiser heeft bij schrijven van 10 augustus 2026 aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

  5. De rechtbank stelt vast dat er door eiser geen gronden zijn aangevoerd tegen het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

  6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

  7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.