Vreemdelingenrecht
asiel Israël, discriminatie, belang van het kind, 15c, artikel 64 Vw, gegrond, rechtsgevolgen in stand laten.
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22545 · Rechtbank Den Haag · 28 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-22545
Zaakgegevens
Op 28 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Datum publicatie
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL25.63206
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:22545
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
asiel Israël, discriminatie, belang van het kind, 15c, artikel 64 Vw, gegrond, rechtsgevolgen in stand laten.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
mede namens hun minderjarige zoon [zoon], v-nummer: [nummer]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hoewel sprake is van een motiveringsgebrek met betrekking tot de belangen van het kind, heeft de minister dit gebrek voldoende hersteld waardoor de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de ondervonden discriminatie onvoldoende zwaarwegend heeft mogen achten en aan eisers geen uitstel van vertrek hoefde te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Ook heeft de minister geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn hoeven aannemen en heeft hij aan eisers dus een terugkeerbesluit mogen opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van [datum] 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers hebben de Tadzjiekse, Russische en Israëlische nationaliteit. Zowel in Tadzjikistan als in Rusland hebben eisers te maken gehad met racisme waardoor zij in 2014/2015 vanuit Tadzjikistan naar Rusland zijn vertrokken. Daar hebben zij een aantal jaar verbleven en in 2018 zijn eisers naar Israël gegaan. In 2023 zijn eisers uit Israël vertrokken vanwege de oorlog. Eiser heeft in Israël te maken gehad met discriminatie vanwege zijn uiterlijk. In Israël dachten mensen namelijk dat hij uit Libanon kwam. Eiser is aangevallen en dit was aanleiding om Israël te verlaten. Bij terugkeer vrezen eisers opnieuw voor discriminatie waarvoor zij geen hulp krijgen van de autoriteiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. discriminatie eiser.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht, maar stelt dat eisers niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling. De ondervonden discriminatie is hiervoor onvoldoende, omdat eiser heeft kunnen werken, toegang had tot de medische zorg en huisvesting had. Daarbij is van belang dat eiser door medeburgers werd gediscrimineerd maar dat hij nooit problemen heeft gehad met de autoriteiten. Verder lopen eisers geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. In Israël is namelijk geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft daarom de aanvraag afgewezen als ongegrond.
Mocht de minister de ondervonden discriminatie onvoldoende zwaarwegend achten?
5. Eisers betogen dat zij vanwege de discriminatie van eiser wel aangemerkt kunnen worden als vluchteling. Daarbij wijzen zij er allereerst op dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Alle omstandigheden moeten namelijk in samenhang worden bekeken, omdat ook een opeenstapeling van op zichzelf minder ernstige gebeurtenissen kunnen leiden tot een schending van fundamentele rechten.
Verder heeft eiser verklaard dat hij zich niet veilig voelde in Israël en pogingen heeft gedaan om bescherming te zoeken, maar dat heeft niet geleid tot verbetering. Zijn aangifte werd niet in behandeling genomen door de politie. Daarnaast heeft hij zich tot zijn leidinggevende gewend na een conflict op het werk, maar zijn verzoek om hulp werd afgewezen. De minister dient de discriminatie ook te zien in de context van een gezin met een jong kind. Dit verlaagt de drempel voor blootstelling aan discriminatie. Daarbij wijzen eisers op de kwetsbaarheid van hun zoon. Uit het medisch dossier blijkt dat hij als gevolg van stress een aanhoudende hoest heeft gehad en het medisch advies van de arts was om hem in een veilige, stabiele en stressarme omgeving te laten verblijven.
Dat eisers toegang zouden hebben tot bescherming en hulp is door de minister ook onjuist beoordeeld. De minister heeft namelijk enkel vastgesteld dat er overheidsinstanties bestaan, zonder te onderzoeken of deze instanties daadwerkelijk bescherming en hulp kunnen bieden aan eisers. Eisers hebben officiële documenten overlegd waaruit blijkt dat zij minder dan tien jaar geleden gebruik hebben gemaakt van hulp, waardoor zij deze hulp nu niet meer kunnen krijgen omdat zij niet meer aan de voorwaarden voldoen. Dat de zoon van eisers in aanmerking komt voor het [programma] is ook onjuist. Hij is namelijk vijf jaar oud en voldoet daarom niet aan het leeftijdsvereisten voor dit programma. Verder blijkt dat de overheidssteun die eisers eerder hebben ontvangen voor huisvesting is beëindigd, waardoor zij bij terugkeer geen toegang hebben tot deze steun en dus niet beschikken over huisvesting of woonregistratie. Ook hebben zijn geen recht op een uitkering en kunnen zij dus niet terugvallen op een sociaal vangnet. Met betrekking tot toegang tot de medische zorg heeft de minister erkend dat er een wachttijd bestaat voor toegang tot het reguliere zorgstelsel en dat eiseres daardoor dus een verzekering moeten afsluiten. Echter heeft de minister nagelaten te onderzoeken of eisers in staat zijn deze verzekering te bekostigen en of deze verzekering voldoende dekking biedt voor de medische behoefte van het gezin. De zoon van eisers heeft namelijk voor verschillende aandoeningen medische zorg nodig. Daarnaast heeft eiseres hoogstwaarschijnlijk bij terugkeer opnieuw medische zorg nodig.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen vanwege de ondervonden discriminatie onmogelijk is om op sociaal en maatschappelijk vlak te functioneren. Dat daarbij niet alles wat eisers naar voren hebben gebracht, is betrokken, volgt de minister terecht niet. Uit het besluit blijkt namelijk dat is betrokken dat eisers toegang hebben gehad tot zorg en huisvesting, en hebben kunnen werken. Daarnaast is betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij problemen heeft gehad met medeburgers vanwege zijn uiterlijk, maar geen problemen heeft gehad met de autoriteiten. Ook is door eiser verklaard dat hij ook weleens werd geholpen door medeburgers als er een incident was. De minister heeft verder terecht gesteld dat de stelling van eisers dat zij niet beschikken over huisvesting of woonregistratie, onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van dusdanige discriminatie waardoor het onmogelijk is om op sociaal en maatschappelijk vlak te functioneren. Het is namelijk niet aannemelijk dat eisers in een staat van maatschappelijke deprivatie terecht zullen komen bij terugkeer. Zij kunnen namelijk bijstand of hulp krijgen in Israël. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het feit dat eisers een minderjarig kind hebben, de drempel voor het aannemen van Vluchtelingschap en/of een risico op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege discriminatie niet wordt verlaagd. Dat blijkt namelijk niet uit jurisprudentie. De minister dient in het besluit wel rekening te houden met de belangen van het kind. Daarover zal de rechtbank hieronder een oordeel geven.
Had de minister het belang van het kind moeten betrekken?
6. Eisers betogen dat de minister onterecht geen rekening heeft gehouden met de belangen van hun kind. De minister heeft hierbij geweigerd de belangen mee te wegen, vanwege het feit dat de zoon van eisers geen alleenstaande minderjarige vreemdeling is. Dit is volgens eisers in strijd met internationale en Europese verplichtingen. Zij wijzen hierbij op artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 24 van het EU-Handvest. Beide bepalingen maken geen onderscheid tussen begeleide en onbegeleide minderjarigen. Ook jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bevestigt dat de aanwezigheid van ouders de Staat niet ontslaat van de verplichting om de belangen van het kind te betrekken.
Van belang is dat de zoon van eisers vijf jaar oud is en sinds een jaar en zeven maanden in Nederland heeft verbleven. Gedurende deze periode is zijn gezondheidstoestand aanzienlijk verbeterd en heeft hij zich kunnen ontwikkelen in een veilige en stabiele omgeving. Bij terugkeer zal hij worden blootgesteld aan een omgeving waarbij zijn ouders geen toegang hebben tot huisvesting, re-integratie, een sociaal vangnet en medische zorg. Daarnaast zal hij worden blootgesteld aan een omgeving waarin zijn vader discriminatie heeft ondervonden en geen bescherming heeft kunnen krijgen. Deze omstandigheden hebben directe en ernstige gevolgen voor zijn welzijn, ontwikkeling en veiligheid.
De minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de belangen van het kind in geval van eisers niet worden getoetst, omdat de zoon van eisers geen alleenstaande minderjarige vreemdeling is. De gemachtigde van de minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat dit standpunt verkeerd is verwoord in het besluit, en dat de belangen van het kind ook als geen sprake is van een alleenstaande minderjarige vreemdeling betrokken moeten worden bij de besluitvorming. Dat is in geval van eisers ook gebeurd, zo stelt de minister. In het beleid is namelijk verdisconteerd dat bij de besluitvorming rekening gehouden wordt met de belangen van het kind. Verder heeft de minister gesteld dat het in het belang van de zoon van eisers is om bij zijn ouders te blijven en dat de gestelde toekomstige discriminatie een onzekere toekomstige gebeurtenis is, waarbij meeweegt dat de ondervonden discriminatie van eiser onvoldoende zwaarwegend is geacht. Ook de medische situatie van de zoon van eisers is in het kader van de beoordeling van artikel 64 van de Vw 2000 betrokken. De minister heeft daarom verzocht het beroep gegrond te verklaren vanwege het gebrek in het besluit, maar de rechtsgevolgen in stand te laten.
De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat het besluit een gebrek bevat, omdat daarin staat dat de belangen van het kind in geval van eisers niet betrokken hoeven te worden. Dat standpunt is onjuist. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. De minister heeft namelijk tijdens de zitting een toelichting gegeven welke belangen van het kind meewegen. Deze toelichting is hierboven weergegeven. De rechtbank is van oordeel dat hiermee de belangen van het kind van eisers voldoende zijn meegewogen. Eisers hebben verder niet gesteld of onderbouwd welke belangen hierbij nog meer meegewogen hadden moeten worden dan wel onvoldoende zijn meegewogen.
Is in Israël sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn?
7. Eisers hebben tijdens de zitting aangevoerd dat in Israël weer oorlog is, waardoor zij een risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarbij hebben zij er tijdens de zitting nog op gewezen dat in de woonplaats waar zij vandaan komen, [plaats] , de dag voor de zitting nog een explosie is geweest.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft terecht gesteld dat in Israël geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Tijdens de zitting heeft de minister hierbij toegelicht dat, hoewel sprake is van een gewapend conflict, geen sprake is van willekeurig geweld. Uit informatie van TOELT blijkt namelijk dat in de regio waar eisers vandaan komen, in 2025 en 2026 in totaal 73 incidenten zijn geweest waarbij in totaal 4 burgerslachtoffers zijn gevallen. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat ook het soort incidenten maakt dat geen sprake is van willekeurig geweld, omdat vooral strategische doelwitten worden geraakt en Israël heeft ook aanvallen weten te onderscheppen. Het enkele incident dat door eisers tijdens de zitting is benoemd, maakt dat niet direct anders. Daarmee is niet aannemelijk dat eisers in Israël slachtoffer zullen worden van willekeurig geweld.
Had de minister aan eisers uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 moeten verlenen?
8. Eisers betogen dat de minister aan hen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 had moeten verlenen. Zowel de zoon van eisers als eiseres hebben namelijk medische problemen, zoals blijkt uit hun medisch dossier en de verklaringen van eiseres tijdens het aanmeldgehoor. De stelling van de minister dat eisers pas bij de zienswijze melding hebben gemaakt van de medische problemen en zij al sinds mei 2024 in Nederland zijn zonder medische stukken te overleggen, is dan ook onjuist. Het kan verder aan eisers niet worden tegengeworpen dat zij niet meer over de medische situatie hebben verklaard in het nader gehoor, omdat daar toen geen vragen over zijn gesteld. Daardoor zijn eisers ervan uitgegaan dat de minister de verklaringen in het aanmeldgehoor voldoende heeft gevonden. Verder heeft de minister nagelaten om te onderzoeken of eisers daadwerkelijk toegang hebben tot medische zorg.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat aan eisers geen ambtshalve uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 wordt verleend. Uit artikel A3/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt namelijk dat aan een vreemdeling uitstel van vertrek kan worden verleend als hij onder behandeling van een arts staat. Dat is in geval van eiseres en haar zoon niet het geval. Uit het medisch dossier van eiseres en haar zoon blijkt dat zij regelmatig voor klachten naar de huisarts gaan, maar van een behandeling door een specialistisch arts is geen sprake. De rechtbank volgt verder niet de stelling van eisers dat niet kan worden tegengeworpen dat eiseres niet meer heeft verklaard over de medische situatie in het nader gehoor. In het nader gehoor heeft eiseres namelijk aangegeven dat het goed gaat met haar gezondheid. Hierdoor heeft de hoormedewerker geen aanleiding hoeven zien om hierover door te vragen.
Mocht de minister aan eisers een terugkeerbesluit opleggen?
9. Eisers betogen dat de minister aan hen geen terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken mocht opleggen. Als Israëlisch staatsburgers mogen zij namelijk visumvrij Nederland inreizen en zitten zij nog in hun vrije termijn. Hoewel eisers niet betwisten dat de minister bevoegd is om een terugkeerbesluit op te leggen, betogen zij dat het niet proportioneel en noodzakelijk is om aan hen een terugkeerbesluit op te leggen. Bij de oplegging is namelijk geen rekening gehouden met de medische situatie van eiseres en de zoon van eisers, de afwezigheid van huisvesting en voorzieningen in Israël en de belangen van het kind.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank wijst daarbij op dat wat onder 5.1., 6.2. en 8.1. is overwogen. Daarmee is bij het opleggen van het terugkeerbesluit voldoende rekening gehouden met de medische situatie van eisers, de ondervonden discriminatie en de belangen van het kind.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep van eisers is gegrond, vanwege het motiveringsgebrek zoals dat is geconstateerd onder 6.2. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat het gebrek voldoende door de minister is hersteld. Eisers krijgen echter wel vergoeding van hun proceskosten, vanwege het motiveringsgebrek zoals dat is geconstateerd onder 6.2. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868.- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868, -.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.