Vreemdelingenrecht

bewaring – 59, eerste lid, onder a, Vw – ongegrond

Rechtbank Den Haag, 13 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
13 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.43913
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22686
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

bewaring – 59, eerste lid, onder a, Vw – ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43913


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1988.

Toetsingskader

2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zal onderduiken en dat eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:

- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
- b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- h. heeft te kennen gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
- p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden zijn toereikend om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico bestaat dat eiseres zal onderduiken en dat zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Ambtshalve toets

6. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 13 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.