Vreemdelingenrecht

Bewaring, kennisgeving, de totstandkoming en zorgvuldigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 23 juli 2026

Zaakgegevens

Op 23 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
23 juli 2026
Datum publicatie
14 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.38783
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:22789
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring, kennisgeving, de totstandkoming en zorgvuldigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.38783


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

1.2.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

  • Vw: Vreemdelingenwet 2000

  • Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 12 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De totstandkoming en zorgvuldigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of de maatregel van bewaring evenredig is. Volgens eiser moet worden afgewogen of de bewaring in verhouding staat tot het nagestreefde doel. Verweerder heeft echter geen rekening gehouden met het feit dat eiser werkt en woont in België, hoewel eiser hierover uitgebreid heeft verklaard tijdens zijn ophouding en het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. Bovendien stelt eiser dat door de bewaring en gedwongen terugkeer zijn effectieve genot van de unierechten, zoals vrij reizen, wordt ontzegd. Eiser betoogt dat zijn persoonlijke belangen onvoldoende zijn meegewogen en dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is.

4.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Het Hof heeft in het arrest FS overwogen dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, slechts opnieuw aanspraak kan maken op een verblijfsrecht op grond van artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn indien hij het grondgebied van de lidstaat niet alleen fysiek heeft verlaten, maar zijn eerdere verblijf ook daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De rechtbank stelt vast dat eiser herhaaldelijk is uitgezet nadat zijn rechtmatig verblijf in Nederland was ingetrokken op 31 juli 2025. Eiser is vier keer uitgezet naar Bulgarije - op 27 november 2025, 30 maart 2026, 15 mei 2026 en 4 juni 2026 - maar keerde telkens terug naar Nederland. Niet is gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd of buiten Nederland een nieuw bestaan heeft opgebouwd. Zijn terugkeer moet daarom worden aangemerkt als een voortzetting van zijn eerdere verblijf in Nederland. Dit betekent dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en dat het besluit van 31 juli 2025 nog steeds werking heeft. Verweerder was daarom bevoegd eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring te stellen.

4.2.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een risico op onttrekking. Daarnaast heeft eiser verklaard niet terug te willen naar Bulgarije. Dit maakt de maatregel van vreemdelingenbewaring evenredig aan het doel om eiser uit te zetten. In tegenstelling tot wat eiser betoogt, heeft verweerder dit op pagina 3 van de maatregel van bewaring toegelicht. Daarbij is ook het risico op onttrekking besproken. De stelling van eiser dat zijn verklaring over verblijf en werk in België niet in de maatregel van bewaring is opgenomen, volgt de rechtbank niet. De maatregel en het verslag van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling moeten in samenhang worden gelezen. Uit het verslag volgt dat eiser heeft verklaard verblijf en werk te hebben in België. Eiser heeft echter op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat hij in België een arbeidscontract heeft of een vaste verblijfplaats, noch met documenten noch met gedetailleerde informatie. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder deze gestelde omstandigheid dan ook niet hoeven meenemen in (het opleggen van) de maatregel van bewaring. Verder is op pagina 1 van het verslag van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling vermeld dat eiser is medegedeeld dat het aan hem is om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot toepassing van een lichter middel zouden moeten leiden. Vervolgens is eiser gevraagd naar zijn familie- en gezinsleven, naar zijn medische omstandigheden en of er redenen zijn om hem niet in vreemdelingenbewaring te stellen. Gelet hierop heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende gelegenheid gehad om zijn belangen naar voren te brengen. Er zijn verder geen omstandigheden door eiser aangevoerd die tot een andere conclusie zouden moeten leiden.

4.3.

Deze beroepsgrond slaagt gezien het voorgaande niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

5.1.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Het Hof van Justitie van de Europese Unie. Arrest van het Hof van 22 juni 2021, zaak C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.