Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister…

Rechtbank Den Haag, 17 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 17 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
17 augustus 2026
Datum publicatie
17 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.44960
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23115
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres, ook met inachtneming van de meest recente data. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.44960


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. C. Chen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met het voortduren van de vreemdelingenbewaring. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Omdat eiseres ook verzoekt om schadevergoeding beoordeelt de rechtbank ook of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 4 juli 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 17 juli 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard.

2.1.

Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.

2.2.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

3. Eiseres heeft de Hondurese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2002.

4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

5. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 juli 2026 (in de zaak NL26.37231) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

6. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend aan haar uitzetting werkt. Uit de voortgangsrapportage volgt niets over het paspoort, waarnaar de minister zou zoeken volgens de eerdere uitspraak. Als de minister dat niet kan terugvinden, is dat volgens eiseres onzorgvuldig en moet de minister een laissez-passer traject opstarten. Er blijkt niet dat dit voortvarend is opgepakt. Verder is de rechtbank ten tijde van de vorige zitting verkeerd geïnformeerd over de datum waarop de laissez-passer aanvraag zou zijn gedaan, namelijk op 8 juli 2026. Deze datum correspondeert niet met de voortgangsrapportage. Ook uitgaande van de daarin genoemde data handelt de minister onvoldoende voortvarend.

7. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier en het verhandelde op de zitting volgt dat de laissez-passer aanvraag niet op 8 juli 2026 maar op 13 juli 2026 is verzonden naar de DIA en vervolgens op 21 juli 2026 is verzonden aan de vertegenwoordiging van Honduras. Vanwege een tweedaagse computerstoring is sprake geweest van enige vertraging. Het is de minister niet duidelijk geworden waarop de datum van 8 juli 2026 betrekking heeft, maar ook met inachtneming van de meest recente data is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een voortvarendheidsgebrek. Op de zitting is nader toegelicht dat op 29 juli 2026 de identiteit en nationaliteit van eiseres zijn bevestigd. Dit volgt ook uit het vertrekgesprek dat op 10 augustus 2026 met eiseres is gehouden. Verder is op de zitting gebleken dat het IOM eveneens een laissez-passer aanvraag heeft gedaan. De autoriteiten hebben bericht geen dubbele laissez-passer af te geven, maar toegezegd dat, mocht de uitzetting met behulp van het IOM niet lukken, alsnog een tweede laissez-passer wordt afgegeven. De inspanningen zijn er met andere woorden nu eerst op gericht om eiseres met behulp van het IOM te verwijderen. Met betrekking tot het paspoort is navraag gedaan bij de politie, de KMar en Bureau Documenten, maar het paspoort is helaas niet getraceerd. Hoewel de rechtbank deze gang van zaken betreurt, zal de rechtbank hier geen gevolgen aan verbinden. Met alle genoemde inspanningen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank namelijk van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
B.S. Beens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Dienst Internationale Aangelegenheden. Internationale Organisatie voor Migratie. Koninklijke Marechaussee.